8.1 Essentie
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 8.1 Essentie
Bij het opstellen van bestemmingsplannen is de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het is daarom van belang om in een vroeg stadium de volgende acties te plegen:
- in kaart brengen van activiteiten die mogelijk geleid hebben tot bodemverontreiniging;
- vaststellen van de aanwezige milieukundige bodemkwaliteit;
- vaststellen van de voor de (huidige en/of toekomstige) bestemming gewenste bodemkwaliteit;
- inventariseren van de gebieden waar de bodemkwaliteit geschikt is voor het gebruik bij de (huidige en/of de nieuwe) bestemming en van gebieden waar de bodemkwaliteit niet geschikt is voor het gebruik bij de huidige of de nieuwe bestemming;
- in gebieden waar de bodemkwaliteit niet geschikt is voor het gebruik het nemen van maatregelen om de bodemkwaliteit geschikt te maken zoals het saneren van de bodem, of het opleggen van gebruiksbeperkingen;
- wanneer het nemen van maatregelen om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het gebruik niet uitvoerbaar is een bij de bodemkwaliteit passend gebruik zoeken (liefst vroeg in de planfase);
- het realiseren van een goed beheer van de (ruimtelijke) informatie over de bodemkwaliteit en de gebruiksfuncties.
Daarnaast is bij het opstellen van het bestemmingsplan van belang in een vroeg stadium na te gaan of de kansen van de ondergrond (voor bijvoorbeeld ondergronds bouwen, bodemenergie, CO2- en gasopslag) kunnen worden benut.

