9.3.1 Beleid
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 9.3.1 Beleid
De belangrijkste algemene beleidsnota waarin het beleid voor externe veiligheid is beschreven, is het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4, 2001). De belangrijkste nota's waarin het beleid concreter is beschreven zijn Omgaan met risico’s (1989), het Kabinetsstandpunt Vuurwerkramp (2001) en Nuchter omgaan met risico’s, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004).
Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal:
- de bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven;
- de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.
In het beleid voor de externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in de mate van bescherming. Kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, grote winkelcentra en bedrijven) krijgen de hoogste mate van bescherming, doordat hiervoor een grenswaarde geldt. Een grenswaarde is een afdwingbare norm die moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een kleine winkel of bedrijf) geldt een richtwaarde. Van een richtwaarde mag worden afgeweken, mits goed onderbouwd. Overigens is niet elk object een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Een halte van het openbaar vervoer of een fietspad zijn bijvoorbeeld vrijwel nooit (beperkt) kwetsbare objecten, omdat de kans dat daar een dodelijk ongeval plaatsvindt als gevolg van de opslag van gevaarlijke stoffen of een vliegtuig, verwaarloosbaar klein is. Het beleid ter voorkoming van terroristische aanslagen is integraal in het overheidsbeleid opgenomen c.q. krijgt deels nog haar beslag. Omdat dit beleid geen ruimtelijke consequenties heeft, zal hierop niet worden ingegaan.
Plaatsgebonden risico
Voor het bereiken van de eerste doelstelling wordt gebruik gemaakt van het begrip plaatsgebonden risico (PR). Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor, of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. Het PR kan worden weergegeven als een contour op een kaart die punten met elkaar verbindt (zoals dat ook gebruikelijk is met bijvoorbeeld geluidscontouren en hoogtelijnen op een topografische kaart). Het PR leent zich daarmee goed voor het vaststellen van een veiligheidszone tussen een risicovolle activiteit (bedrijf of vervoersmodaliteit) en een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde en moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde.
Groepsrisico
Voor het bereiken van de tweede doelstelling wordt gebruik gemaakt van het groepsrisico (GR). Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Het aantal personen dat in de omgeving van de risicobron verblijft bepaalt daardoor de hoogte van het GR. Het GR wordt bijvoorbeeld gebruikt om vast te stellen of de woningdichtheid in een bepaald gebied nog kan worden vergroot. Voor het GR geldt geen norm, maar een verantwoordingsplicht. Dit betekent dat het bevoegde gezag bij het nemen van een besluit het GR moet verantwoorden. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (2007) en de handreiking Naar een veilige bestemming (2007) is beschreven op welke wijze het groepsrisico berekend en gebruikt moet worden bij het nemen van (ruimtelijke) besluiten.
In 9.3.2. wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wet- en regelgeving.

