9.3.2 Wet- en regelgeving

9.3.2 Wet- en regelgeving

Ruimtelijke ordening en milieu

Inhoud pagina: 9.3.2 Wet- en regelgeving

9.3.2.1 Belangrijkste wet- en regelgeving voor inrichtingen (bedrijven)

Besluit externe veiligheid inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. In het Bevi zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). Voor het groepsrisico (GR) is een verantwoordingsplicht opgenomen. Hiermee worden de aan te houden afstanden tussen inrichtingen (bedrijven) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en kwetsbare en beperkte objecten gewaarborgd. Naast het Bevi is de bijbehorende ministeriële Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) van belang. Het Bevi en het Revi zijn gefaseerd in werking getreden, waarbij de reikwijdte de komende jaren verder uitgebreid zal worden en op meer typen bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten van toepassing wordt. De opslag van vuurwerk en munitie valt niet onder dit besluit. Hiervoor geldt afzonderlijke wetgeving.

In het Bevi is aangegeven welke bedrijven onder de reikwijdte van het besluit vallen. Het gaat onder andere om LPG-tankstations, bedrijven waar meer dan 10.000 kilo (of liter) verpakte gevaarlijke stoffen met brandbare èn giftige verbindingen in één opslagvoorziening aanwezig is, grote ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen. Bedrijven waarop het Besluit risico zware ongevallen 1999 (Brzo'99) van toepassing is, vallen ook onder de reikwijdte van het Bevi. Het besluit strekt dan ook mede ter implementatie van artikel 12 van de Seveso II-richtlijn (het voorkomen van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen daarvan bij het lokale ruimtelijke ordeningsbeleid). Voor sommige bedrijfstypen zijn vaste afstanden gegeven (categoriale inrichtingen), voor andere bedrijfstypen moeten de aan te houden afstanden worden berekend (niet-categoriale inrichtingen). Voorbeelden van categoriale inrichtingen zijn LPG-tankstations, veel bedrijven waar meer dan 10 ton gevaarlijke stoffen in één opslagvoorziening is opgeslagen en de meeste ammoniakkoelinstallaties. Voorbeelden van niet-categoriale inrichtingen zijn bedrijven die onder het Brzo‘99 vallen.

In artikel 1, eerste lid, onderdelen b en l, van het Bevi is bepaald wat een beperkt kwetsbaar object respectievelijk een kwetsbaar object is. Kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, ziekenhuizen en grote winkels, bedrijven en kantoren. Beperkt kwetsbare objecten zijn o.a. verspreid liggende woningen, sportterreinen, kleinere bedrijven en objecten met een hoge infrastructurele waarde (zoals telefoon- en elektriciteitscentrales).

Verplichtingen uit Bevi en Revi

Het Bevi richt zich tot gemeenten en provincies die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor vergunningplichtige inrichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en ruimtelijke besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening (onder meer de vaststelling van een bestemmingsplan) en de Woningwet (Bevi artikelen 4 en 5). In de artikelen 6, 7 en 8 van het Bevi zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten opgenomen met het oog op de sanering van bestaande ongewenste situaties. Zoals gezegd is voor het GR in het besluit geen normatieve waarde opgenomen. In plaats daarvan is een verantwoordingsplicht opgenomen voor de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. Bij de verantwoording van het groepsrisico moet onder meer worden ingegaan op mogelijke alternatieven voor ruimtelijke ontwikkelingen, de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van de bevolking in het gebied dat getroffen kan worden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen de desbetreffende inrichting èn de mogelijkheden voor de voorbereiding op en de bestrijding van rampen en zware ongevallen.

Ter uitvoering van het Bevi geldt het Revi. Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor de categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen. Het Revi is gelijktijdig met het besluit in werking getreden. De regeling is begin 2008 uitgebreid met onder andere vaste afstanden voor bedrijven waar nitraathoudende kunstmeststoffen wordt opgeslagen en de aanwijzing van bedrijfsactiviteiten waar de afstanden voor moeten worden berekend (o.a. opslagtanks met meer dan 13 m3 propaan of acetyleen en de opslag van meer dan 1.500 m3 vergiftige stoffen in gasflessen). Tevens is een uniforme wijze voor het maken van risicoberekeningen opgenomen. Komende jaren wordt de reikwijdte van het Bevi uitgebreid. Voor het volledige overzicht van de reikwijdte van het Bevi (op welke bedrijven het besluit van toepassing is) en welke afstanden moeten worden aangehouden bij de categoriale inrichtingen moet daarom altijd de meest actuele versie van het besluit en de regeling geraadpleegd worden.

Voor zowel het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen als het bevoegd gezag voor het bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de besluiten onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Voor een goede borging van het beleid voor externe veiligheid is het noodzakelijk dat de inzet van beide instrumenten onderling goed is afgestemd. De vergunde hoeveelheid gevaarlijke stoffen is namelijk in grote mate bepalend voor de aan te houden afstand tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Zo is het verstandig om in de omgevingsvergunning voor een LPG-tankstation vast te leggen wat de jaarlijkse doorzet van LPG is. Als de maximum doorzet niet is vastgelegd, heeft het bedrijf de mogelijkheid om ongelimiteerd door te groeien en kan op termijn door toegenomen veiligheidsafstanden niet meer worden voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen ruimtelijke reservering en ontstaat een ongewenst risico of saneringssituatie.

Veiligheidsafstanden

Het overheidsbeleid voor aan te houden externe veiligheidsafstanden is beschreven in de nota 'Omgaan met risico's' (1989). Met het Bevi is dit beleid voorzien van een duidelijk juridisch kader. Dit was een van de actiepunten van de rijksoverheid als gevolg van de evaluatie van de vuurwerkramp in Enschede (13 mei 2000). De inwerkingtreding van het Bevi heeft er toe geleid dat een aantal bestaande situaties gesaneerd moeten worden, omdat niet wordt voldaan aan de voorgeschreven afstanden. Dit geldt in eerste instantie voor een aantal LPG-tankstations (zie hieronder). Met de inwerkingtreding van het besluit wordt voorkomen dat er nieuwe saneringssituaties ontstaan. In verband met de geplande uitbreiding van het Bevi en het Revi wordt aanbevolen om deze ontwikkelingen te volgen via de website van InfoMil en publicaties in de Staatscourant.

InfoMil heeft een uitgebreide handleiding uitgebracht voor de overheden die belast zijn met de uitvoering van het Bevi. De afstanden die genoemd zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (uitgave 2007) zijn niet gerelateerd aan de normen zoals die in het externe veiligheidsbeleid worden gehanteerd en hebben daarom uit een oogpunt van externe veiligheid veel meer een indicatieve betekenis.

Relatie Bevi en PGS richtlijnen

Bij het opstellen van voorschriften die verbonden worden aan omgevingsvergunningen voor vergunningplichtige inrichtingen (en ook bij het opstellen van algemene regels door het ministerie van Infrastructuur en Milieu) moet het bevoegde gezag op grond van de Regeling aanwijzing BBT-documenten gebruik maken van onder andere PGS publicaties (Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, voorheen de CPR richtlijnen). De aan te houden afstanden tot externe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn opgenomen in het Bevi en het Revi. Voor enkele stoffen, voornamelijk de opslag van vuurwerk en munitie geldt afzonderlijke wetgeving (zie hieronder).

Relatie Bevi en de algemene regels van de Wet milieubeheer

Op grond van de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt een aantal algemene regels waarin het milieubeleid is beschreven en die bedrijven moeten opvolgen. Meestal wordt hiervoor de (juridische) vorm van een Algemene Maatregel van Bestuur (amvb) gebruikt. In het Activiteitenbesluit, het Besluit LPG-tankstations milieubeheer, het Besluit risico's zware ongevallen 1999 en het Vuurwerkbesluit zijn aan te houden externe veiligheidsafstanden opgenomen. De gemeenten moeten er voor zorgen dat deze afstanden worden opgenomen in ruimtelijke besluiten (vnl. het bestemmingsplan). De algemene regels gelden soms in plaats van de omgevingsvergunningplicht en soms zijn ze aanvullend op de eisen die zijn opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarnaast is nog een aantal circulaires gepubliceerd die relevant zijn voor de uitvoering van het beleid. Een belangrijke consequentie is dat met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 de systematiek waarmee bepaald wordt of een vergunning voor een inrichting noodzakelijk is, is gewijzigd. Hierdoor gelden er in principe altijd algemene regels voor een bedrijf, tenzij expliciet is aangegeven dat voor het bedrijf, of een deel van het bedrijf (bijvoorbeeld de opslag van propaan in een bovengrondse tank) een omgevingsvergunningplicht geldt.

Activiteitenbesluit

Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit (officiële naam: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) in werking getreden. Dit besluit vervangt de meeste 8.40 en 8.44 amvb's voor bedrijven (inrichtingen), maar bijvoorbeeld niet het Besluit LPG-tankstations milieubeheer en de amvb's voor de landbouwbedrijven. Met het Activiteitenbesluit is tevens het aantal bedrijfstypen dat onder algemene regels valt uitgebreid. In het besluit en de bijbehorende regeling zijn de regels opgenomen waar de bedrijven waarop het besluit van toepassing is, circa 80-90% van de bedrijven in Nederland, aan moeten voldoen. In het besluit zijn ook de aan te houden afstanden tot externe objecten opgenomen. Deze afstanden komen vrijwel overeen met de afstanden die waren opgenomen in de 'oude' 8.40 en 8.44 amvb's. In een enkel geval is deze gewijzigd. Deze externe veiligheidsafstanden gelden overigens voor een beperkt aantal bedrijven. Het gaat om bedrijven waar meer dan 2.500 kg (of liter) gevaarlijke stoffen in één opslagvoorziening wordt opgeslagen en om locaties waar een bovengrondse propaantank in gebruik is (het besluit geldt ook voor het gebruik van een propaantank door particulieren). De afstanden die moeten worden aangehouden variëren van enkele meters tot meestal 20 meter en in een enkel geval 50 meter. Bij het nemen van ruimtelijke besluiten moet men zich realiseren dat bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen, zich, net zoals de onder de 'oude' 8.40 en 8.44 amvb's, overal kunnen vestigen, tenzij het bestemmingsplan dit expliciet uitsluit.

Besluit LPG-tankstations milieubeheer
In het Besluit LPG-tankstations milieubeheer zijn de voorschriften opgenomen waar de eigenaar van het LPG-tankstation aan moet voldoen, aanvullend op de voorschriften die in de omgevingsvergunning zijn opgenomen. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting en het nemen van een ruimtelijk besluit voor een LPG-tankstation moet de gemeente de afstanden aanhouden zoals voorgeschreven in het Revi. Volgens het besluit LPG-tankstations mogen er geen woningen en objecten categorie II (o.a. ziekenhuizen, scholen en winkelcentra) aanwezig zijn binnen 20 meter van het reservoir, bovengrondse leidingen en vulpunt. De afstanden zoals opgenomen in het Revi voor LPG-tankstations hebben voorrang op de afstand die in het besluit LPG-tankstations is opgenomen.

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Bevi is de afgelopen jaren een aantal LPG-tankstations  gesaneerd, omdat niet voldaan kon worden aan de externe veiligheidsafstanden van het Revi. De meeste saneringssituaties, dit zijn de kwetsbare objecten binnen de PR contour van 10-6 per jaar zijn in 2010 weggenomen. Bij een aantal LPG-tankstations en bij de tankauto's die de tankstations bevoorraden worden momenteel technische maatregelen doorgevoerd. Hiermee kunnen de afstanden worden beperkt. Op grond van de genomen maatregelen, zijn de aan te houden afstanden voor bestaande LPG-tankstations verkleind. Voor nieuwe LPG-tankstations gelden vooralsnog grotere afstanden.

Besluit risico's zware ongevallen 1999
Het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo'99) is van toepassing op de meest complexe bedrijven waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, verwerkt en/of opgeslagen. Het betreft momenteel ongeveer 380 bedrijven. In het Brzo'99 wordt onderscheid gemaakt tussen een 'zware' (VR-plichtige bedrijven) en een 'lichte' categorie (PBZO bedrijven). De VR-plichtige bedrijven (ongeveer de helft) zijn verplicht een veiligheidsrapport (VR) aan het bevoegde gezag voor de omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen toe te zenden en dit, indien nodig, het te actualiseren (minimaal eens per vijf jaar). In de meeste situaties is de provincie het bevoegde gezag. De provincie dient dan als loket voor het bedrijf en voor de andere betrokken overheden en coördineert de beoordeling van het veiligheidsrapport door de diverse betrokken overheden, namelijk de Arbeidsinspectie, burgemeester en wethouders en de regionale brandweer. In de overige gevallen voert de gemeente als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning die taken uit. De externe veiligheidsafstanden voor de VR-plichtige bedrijven worden berekend bij het opstellen van het veiligheidsrapport. Voor PBZO bedrijven moeten de afstanden meestal worden berekend.

Vuurwerkbesluit
Naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede (13 mei 2000) is de toen geldende wetgeving voor vuurwerk herzien. Dit heeft geleid tot het Vuurwerkbesluit, dat op 1 maart 2002 in werking is getreden. Dit besluit reguleert de gehele keten van het invoeren, vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De regels voor het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn veiligheidsafstanden tot kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten opgenomen. Op grond van artikel 4.2 moet het bevoegde gezag deze afstanden in acht nemen bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor vergunningplichtige inrichtingen en moeten gemeenten de afstanden opnemen in het bestemmingsplan en in acht nemen bij wijzigingen van een bestemmingsplan (ook bij een omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het bestemmingsplan, art. 2.1, lid 1, onder c Wabo). De afstanden tot kwetsbare objecten zijn gebaseerd op de te verwachten effecten bij een calamiteit (dit in tegenstelling met het risicobeleid dat voor de meeste andere gevaarlijke stoffen wordt gehanteerd). De aan te houden afstand is afhankelijk van het type vuurwerk en de hoeveelheid vuurwerk dat wordt opgeslagen. Per medio 2011 zal het begrip kwetsbaar object geheel gelijk getrokken worden aan het Bevi. De aansluiting bij de begripsbepalingen van het Bevi zal niet leiden tot een inhoudelijke wijziging ten aanzien van de te beschermen objecten.
In het Vuurwerkbesluit wordt een onderscheid gemaakt tussen consumentenvuurwerk (voor particulier gebruik) en professioneel vuurwerk (gebruik bij evenementen). Voor een inrichting waar consumentenvuurwerk minder dan 10.000 kg aanwezig mag zijn geldt een veiligheidsafstand van minimaal 8 meter in voorwaartse richting vanaf de (buffer)bewaarplaats tot een kwetsbaar of een geprojecteerd kwetsbaar object. Die afstand mag kleiner zijn, indien tussen de (buffer)bewaarplaats en dat object een scheidingsconstructie aanwezig is die minimaal 60 minuten brandwerend is, niet is voorzien van openingen, deuren of ramen en (bij verticale constructies) is gemaakt van metselwerk, beton of cellenbeton. Dit geldt niet voor het zogenaamde vrijwaringsgebied. Dit is het gebied ter breedte van de (buffer)bewaarplaats in voorwaartse richting van de deur van de (buffer)bewaarplaats. Hier moet altijd een afstand van 8 meter worden aangehouden.
Bij een opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk of theatervuurwerk (al dan niet gezamenlijk met professioneel vuurwerk) geldt een veiligheidsafstand in voorwaartse richting van 20 meter tot 30 meter (afhankelijk van de grootte van de deuropening) van de bewaarplaats tot aan een kwetsbaar of een geprojecteerd kwetsbaar object. Voor de aan te houden afstanden van de bufferbewaarplaats gelden in voorwaartse, zijwaartse en achterwaartse richting verschillende afstanden. Deze afstanden zijn opgenomen in tabel 9.1.

Tabel 9.1: veiligheidsafstanden tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten voor opslagplaatsen van meer dan 10.000 kilo consumentenvuurwerk of theatervuurwerk

 Toegestane hoeveelheid per bufferbewaarplaats

Veiligheidsafstand in meters vanaf de bufferbewaarplaats

 

 voorwaarts

zijwaarts 

achterwaarts 

 0 - 500 kg

20

20

 500 - 1000 kg

25

20

 1000 - 2000 kg

33

25

 2000 - 3500 kg

42

31

 3500 - 5000 kg

 48

36

Voor een inrichting waar professioneel vuurwerk, niet zijnde theatervuurwerk, aanwezig mag zijn (al dan niet gezamenlijk opgeslagen met consumentenvuurwerk) met een netto explosieve massa per bewaarplaats of bewerkingsruimte vanaf 0 tot en met 750 kg geldt een veiligheidsafstand van 400 meter vanaf de bewaarplaats, en, voorzover aanwezig, de bewerkingsruimte tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd kwetsbaar object. Bij een netto explosieve massa vanaf 750 kg tot en met 6.000 kg is die veiligheidsafstand 800 meter.

Het Vuurwerkbesluit is niet van toepassing op de opslag van inbeslaggenomen vuurwerk bij politiebureaus. Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer mag bij politiebureaus maximaal 25 kilo inbeslaggenomen vuurwerk worden opgeslagen (opslag moet plaatsvinden in een brandveiligheidsopslagkast die minimaal 60 minuten brandwerend is uitgevoerd en voldoet aan de eisen van de PGS 15). Voor de opslag van meer dan 25 kg. geldt een omgevingsvergunningsplicht. Het heeft overigens de voorkeur om hoeveelheden van meer dan 25 kg. af te voeren naar een geschikte opslaglocatie.

Munitiecomplexen
Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen is vastgelegd in de nota Van Houwelingen van 12 april 1988. De nota omvat:

  • welke veiligheidszones van toepassing zijn rond munitieopslagen
  • beoogt de veiligheidssituatie rond munitieopslagen te bevorderen door opname van de veiligheidszones met hun beperkingen in bestemmingsplannen
  • geeft normen voor historische strijdigheden binnen de veiligheidszones
  • formuleert het uitgangspunt dat bestaande risiconiveaus minimaal moeten worden gehandhaafd en dus niet mogen verslechteren.

In de nota wordt gewerkt met A-, B-en C-veiligheidszones:

  • de A-zone ligt direct om het complex: geen bebouwing, openbare wegen, spoorwegen of druk bevaren waterwegen, geen parkeerterreinen, geen recreatie, beperkt agrarisch grondgebruik
  • de B-zone (circa 1,5 maal de A-zone): geen bebouwing waarin zich regelmatig personen bevinden, wel wegen met beperkt verkeer en extensieve dagrecreatie
  • de C-zone (circa 2 maal de B-zone): geen gebouwen met vlies-of gordijngevelconstructies en gebouwen met grote glasoppervlakken.

De nota Van Houwelingen wordt vervangen door de regeling van de veiligheidszones via het Besluit Ruimte, waarin voor alle munitiecomplexen de geldige veiligheidszones zijn vastgelegd. Na het vaststellen van het Besluit Ruimte vervalt de nota Van Houwelingen.
De omvang van de zones is van een groot aantal factoren afhankelijk: hoeveelheden en soorten munitie, constructie magazijnen, et cetera. De juiste omvang en ligging van de zones worden berekend door Defensie, waarbij de Directie Risicobeleid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu de berekening controleert. Voor navraag over de omvang en ligging van de zones voor een complex kan men terecht bij de Dienst Vastgoed Defensie in de plaatsen Zwolle (tel. 038-457 2300; regio Noord), Utrecht (tel. 030-245 6789; regio West) en Tilburg (tel. 013-511 7800; regio Zuid) en bij de DCMR, waar de voorbereiding van vergunningverlening voor inrichtingen van Defensie naar toe over is gebracht.
Gemeenten moeten deze veiligheidszones opnemen in bestemmingsplannen om strijdige bebouwing of activiteiten te voorkomen. De Minister van Infrastructuur en Milieu is het bevoegde gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor munitiecomplexen. Bij nieuwe ontwikkelingen en/of wijziging van bestaande situaties is het nodig dat het ministerie de betreffende gemeente(n) en het ministerie van Defensie met elkaar in overleg treden.

Overige ontplofbare stoffen

Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

Op 19 juli 2006 is door het toenmalige ministerie van VROM een circulaire uitgebracht waarin is aangegeven hoe de aan te houden veiligheidsafstanden tussen opgeslagen ontplofbare stoffen en kwetsbare objecten moet worden bepaald. De systematiek sluit aan bij het beleid dat wordt gehanteerd voor de opslag van munitie. Het begrip kwetsbaar object is iets ruimer gedefinieerd dan zoals het begrip wordt gehanteerd in het Bevi. De grootte van de veiligheidsafstand is afhankelijk van de hoeveelheid van de opgeslagen stoffen en van eventueel genomen effectbeperkende maatregelen. In de circulaire is informatie opgenomen over effectbeperkende maatregelen. Men kan bij het RIVM (Centrum voor Externe Veiligheid, telefoonnummer secretariaat: 030-274 3618) terecht voor een second-opinion. Van de gemeente wordt verwacht dat de aanwijzingen in de circulaire worden aangehouden bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor vergunningplichtge inrichtingen en het nemen van ruimtelijke besluiten. Voor bestaande situaties moet alsnog onderzocht worden of deze voldoen aan het beleid zoals beschreven in de circulaire. Situaties die niet aan het beleid voldoen moeten worden gesaneerd. In bepaalde gevallen kan een beroep worden gedaan op het Rijk voor een vergoeding. In de Handreiking explosieven is aangegeven hoe hiermee moet worden omgegaan. Met onderdeel I-A van de Handreiking kan worden nagegaan wat de consequenties zijn voor ruimtelijke besluiten.

Wet explosieven voor civiel gebruik

In de Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg) zijn eisen gesteld aan het beschikken over explosieven voor niet-militaire situaties. Het gaat dan bijvoorbeeld om het gebruik van ontplofbare stoffen voor de schietsport, het slopen van gebouwen, het uitvoeren van seismisch onderzoek. Aan de hele keten van productie via transport tot aan opslag en gebruik zijn eisen gesteld. Met de Wecg wordt de kwaliteit van de gebruikte explosieven geregeld en wordt voorkomen dat de explosieven in verkeerde handen vallen. De wet heeft geen consequenties voor aan te houden externe afstanden. Deze zijn opgenomen in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Luchthavens

Het externe veiligheidsbeleid voor burgerluchthavens is opgenomen in de Wet luchtvaart. Er moeten obstakelvrije vlakken en veiligheidszones (RESA: runway end safety areas) zonder bebouwing worden aangehouden en er moeten rampenbestrijdingsorganisaties worden opgezet. Voor de luchtvaart is het plaatsgebonden risico leidend. Voor de berekening van de veiligheidscontour is het GEVERS-model voor het bevoegd gezag beschikbaar.

Verder heeft het bevoegde gezag mogelijkheden om aanvullende eisen te stellen met betrekking tot de veiligheid. Hierbij is een goede afstemming tussen de verschillende overheidsinstanties noodzakelijk, zodat het gebruik van het luchtruim en de mogelijkheden die een luchthaven krijgt op elkaar aansluiten.

Een aanwijzing van een luchtvaartterrein kan alleen gegeven worden in de vorm van een structuurschema of een planologische kernbeslissing (PKB). Discussies over de ruimtelijke consequenties van (de uitbreiding van) luchthavens speelt zich vaak op regionaal niveau af, omdat de voor- en nadelen van een luchthaven regionale en lokale consequenties hebben. Op grond van de Wet luchtvaart kunnen provincies hierbij een bepalende rol spelen (in plaats van het Rijk).

9.3.2.2 Belangrijkste wet- en regelgeving voor het transport van gevaarlijke stoffen

Transport via weg, water en spoor

Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld het omzeilen van kwetsbare situaties als dichte bebouwing, een ziekenhuis of waterwingebied. De meeste provinciale wegen zijn geschikt om in de routering opgenomente worden.  Voorwaarde is wel dat een door een gemeente aangewezen routes aansluiten op wegen waar het vervoer van gevaarlijke stoffen ook is toegestaan. Alle rijkswegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen, uitgezonderd enkele tunnels onder belangrijke vaarwegen. Een gemeente kan op verzoek van een bedrijf vrijstelling verlenen van de verplichting om alleen van een weg gebruik te maken, die door de gemeente is aangewezen.

Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze normen hebben nog geen wettelijke status. In de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs) van de voormalige ministeries VROM, V&W en BZK wordt de nota verder uitgewerkt.

De Drechtsteden hebben in samenwerking met de toenmalige ministeries van VenW, BZK en VROM een toetsingskader ontwikkeld voor de beoordeling van veiligheidsaspecten van ruimtelijke plannen in het gebied van de spoorzone. Het toetsingskader werkt met een 7-stappenmodel en is een goed voorbeeld voor de invulling door de desbetreffende overheden van de verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico.

Transport via buisleidingen

Vanaf 1 januari 2011 regelt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling de externe veiligheid rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Het Bevb sluit zoveel mogelijk aan bij het Bevi. Omdat het oude beleid verouderd was, adviseerde de minister in 2009 al om zoveel mogelijk rekening te houden met de nieuwe regelgeving bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. Hiervoor is een Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen opgesteld. Zie ook de buisleidingpagina.

Omdat de RIjksoverheid vindt dat transport door buisleidingen meer aandacht moet krijgen bij lokale beleidsmakers en bij uitvoerders, is een omvangrijk project gestart. Er is een nota Buisleidingen ontwikkeld ter vervanging van het Structuurschema buisleidingen en het Bevb vervangt de oude circulaires. Per 1 juli 2008 is de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (Wion) in werking getreden. Samen met het Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten en de bijbehorende Regeling is de vrijwillige "Klic-melding" wettelijk verplicht geworden. Het Kadaster is de uitvoeringsorganisatie voor deze grondroerdersregeling.Zo moeten calamiteiten als gevolg van graafwerkzaamheden bij buisleidingen worden voorkomen. Deze verplichting geldt ook voor kabels en buisleidingen die niet zijn bestemd voor gevaarlijke stoffen.

Het inhoudelijke beleid komt op hoofdlijnen overeen met het beleid dat is beschreven in de oude circulaires voor leidingen met hogedruk aardgas en brandbare vloeistoffen en met het beleid voor andere situaties met gevaarlijke stoffen: op grond van de contour van het PR van 10-6 per jaar moet door het bevoegde gezag (vrijwel altijd de gemeente) gekozen worden of de aanleg van een nieuwe buisleiding (of uitbreiding van een bestaande) past binnen het ruimtelijk beleid dat wordt gevoerd. De norm voor het PR is een harde norm (grenswaarde). Daarnaast geldt voor het GR een oriëntatie- of richtwaarde (gewenste situaties maar waarvan in specifieke omstandigheden onderbouwd van kan worden afgeweken). De normen en het beleid dat de gemeente voert moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan c.q. doorwerken in andere ruimtelijke besluiten.

Verder regelt het Besluit externe veiligheid buisleidingen bijvoorbeeld welke informatie moet worden opgenomen in bestemmingsplannen en wie toezichthouder wordt. Ook is rekening gehouden met bestaande situaties die nog niet aan de normen voldoen: er geldt een overgangstermijn van 3 jaar, waarna de situatie in overeenstemming met het besluit moet zijn gebracht (saneringsplicht).Dit betekent dat er maatregelen aan de buisleiding genomen moeten worden door de leidingexploitant waardoor het risico kleiner wordt en kwetsbare objecten buiten de risicocontour komen te liggen.

Hogedruk aardgas en brandbare vloeistoffen

Voor hogedruk aardgasleidingen is de rekentool CAROLA ontwikkeld. Dit is een rekenpakket voor het berekenen van de externe veiligheidsrisico's van ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen. CAROLA is ontwikkeld door het RIVM en geaccordeerd door het ministerie van I&M. De afstand is mede afhankelijk van de eigenschappen van de buisleiding. In overleg met leidingeigenaar Gasunie kan gezocht worden naar het reduceren van afstanden door het nemen van technische maatregelen. Voor buisleidingen voor brandbare vloeistoffen wordt in een brief van het voormalig ministerie van VROM geadviseerd om de afstanden zoals vermeld in een rapport van het RIVM aan te houden.

9.3.2.3 Risico-inventarisatie en risicocommunicatie

Met de inwerkingtreding van het Registratiebesluit externe veiligheid en een wijziging in de Wet milieubeheer in maart 2007, wordt het inzicht verbeterd voor burgers, maar ook voor de overheid zelf, op welke locaties grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn bij bedrijven en volgens welke transportroutes de stoffen worden vervoerd. De bevoegde gezagen voor de omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen en de relevante overheidsinstanties voor de transportroutes (de ministeries) moeten de gegevens over onder andere de soort stoffen, hoeveelheden en de specifieke locatie inventariseren en doorgeven aan het risicoregister. Het IPO beheert de gegevens namens de overheden. De gegevens worden gebruikt voor provinciale risicokaarten, die digitaal worden ontsloten via websites. De risicokaarten bevatten niet alleen informatie over gevaarlijke stoffen, maar ook over andere reële te verwachten calamiteiten (dijkdoorbraken, overstromingen, e.d.). Omdat veel overheden al eerder zijn gestart met de inventarisatie van de gegevens over gevaarlijke stoffen, is al veel informatie beschikbaar. De risicokaarten worden gebruikt voor het informeren van burgers over hun leefomgeving. De gegevens van de risicokaarten kunnen ook gebruikt worden door de overheid zelf, zoals een betere voorbereiding op calamiteiten en een goede ruimtelijke planning. Voor het verkrijgen van zeer gedetailleerde informatie is het noodzakelijk om contact op te nemen met het bevoegde gezag voor de omgevingsvergunning of de transportroute. Voor meer informatie en een link naar de provinciale risicokaarten zie: www.risicokaart.nl/

 

leefomgeving
 

Kenniscentrum InfoMil