9.5 Bestemmingsplan
Ruimtelijke ordening en milieu
Inhoud pagina: 9.5 Bestemmingsplan
In deze paragraaf is beschreven welke consequenties externe veiligheid heeft voor het bestemmingsplan.
Wat moet?
Verreweg het grootste deel van de bedrijven (circa 80%) valt onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen waar de bedrijven zich aan moeten houden ter bescherming van het milieu. In paragraaf 9.3 is de reikwijdte en werkwijze van het Activiteitenbesluit toegelicht. In dit besluit zijn tevens veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een opslagtank met propaan (5-50 meter) of een aardgastankstation (10-20 meter) of een gasdrukmeet- en regelstation (2-25 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning van een derde en een bedrijf dat meer dan 2.500 kg/ltr gevaarlijke stoffen opslaat of een geparkeerde vervoerseenheid (laad- en loshandelingen uitgezonderd) met gevaarlijke stoffen (die als inrichting kunnen worden aangemerkt) moet een veiligheidsafstand van ten minste 20 meter worden aangehouden. Omdat bedrijven die onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen zich veelal op elke locatie mogen vestigen, is het noodzakelijk dat bij het opstellen of actualiseren van een bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de ruimtelijke consequenties hiervan. Dit is met name van belang bij een globaal bestemmingsplan. Als op de verbeelding een aanduiding is opgenomen voor de veiligheidsafstanden, dan moet er ook een voorschrift(en) worden opgenomen. Bij de verbeelding moet dan de gebiedsaanduiding veiligheidszone worden aangegeven. Ook bij het opstellen van de Staat van bedrijven is het belangrijk om hier aandacht aan te besteden.
Het Bevi kent de plaatsgebonden risico die leidt tot veiligheidsafstanden die gelden tussen risicobronnen en kwetsbare objecten. In paragraaf 9.3.2.1 is de reikwijdte en werkwijze van het Bevi uitgebreid toegelicht. Er worden twee soorten risicobronnen onderscheiden:
- Categoriale bedrijven hebben voorspelbare risico's en de veiligheidsafstanden die in het bestemmingsplan moeten worden aangehouden kunnen worden afgelezen uit tabellen. De veiligheidsafstanden kunnen ook op de verbeelding worden weergegeven, waarbij de beperkingen in de voorschriften worden vastgelegd. Als de onderliggende bestemming de geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk maakt, kan eventueel worden volstaan met vermelding in de toelichting dat daarmee toch aan het Bevi is voldaan.
- Niet-categoriale bedrijven hebben uiteenlopende risico's en de veiligheidsafstanden die in het bestemmingsplan moeten worden aangehouden moeten per bedrijf worden berekend volgens een voorgeschreven rekenmethodiek.
Opslag en verkoop van vuurwerk
Op grond van het Vuurwerkbesluit (artikel 4.2) moeten de veiligheidsafstanden uit bijlage 3 van dat besluit doorwerken in het bestemmingsplan. Het gaat om de afstand tussen een bedrijf waar vuurwerk wordt opgeslagen/verkocht en een (geprojecteerd) kwetsbaar object laten. Voor de opslag van consumentenvuurwerk tot 10.000 kg moet 8 meter worden aangehouden. Voor de opslag van meer dan 10.000 kilo consumenten vuurwerk zijn afstanden vermeld in tabel 9.1. Voor de opslag van professioneel vuurwerk gelden afhankelijk van de hoeveelheid netto explosieve massa afstanden van 400 of 800 meter.
Munitiecomplexen van Defensie
Omdat bij de opslag van munitie de aan te houden veiligheidsafstand moet worden berekend, is op voorhand niet aan te geven welke afstanden moeten worden aangehouden. Het ministerie van Defensie berekent de afstand die moet worden opgenomen in het bestemmingsplan. Zo wordt voorkomen dat er te dicht bij een munitiecomplex gebouwd kan worden. Bij het opstellen of aanpassen van een bestemmingsplan en bij het oprichten of veranderen van een opslagplaats voor munitie moet worden nagegaan wat de ruimtelijke consequenties zijn. Daarvoor is het noodzakelijk dat er contact is tussen de gemeente, het Ministerie van Defensie, de DCMR en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Het bevoegd gezag voor de Wm-vergunning van het munitiecomplex is het Ministerie van IenM.
Wat kan?
Bevi en beperkt kwetsbare objecten
Aanbevolen wordt dat het bevoegde gezag voor het bestemmingsplan de veiligheidsafstanden voor beperkt kwetsbare objecten (o.a. kleine kantoorgebouwen en sportinrichtingen) laat doorwerken in het bestemmingsplan. Dit kan op dezelfde manier worden gedaan zoals is beschreven voor de kwetsbare objecten (zie hierboven).
De plaatsgebonden risico afstanden tussen een risicobron en beperkt kwetsbare objecten zijn richtwaarden. Dat betekent dat deze afstanden in principe moeten worden aangehouden en verwerkt in het bestemmingsplan (zie Bevi en kwetsbare objecten). Alleen als er ‘gewichtige’ redenen zijn kan van deze afstanden worden afgeweken. Dit moet dan door het bevoegde gezag worden onderbouwd in de toelichting of ruimtelijke onderbouwing.
Voor het groepsrisico geeft het Bevi een richtwaarde en een verantwoordingsplicht. In artikel 13 is aangeven dat bij (ruimtelijke) besluiten een verantwoordingsplicht geldt, waarbij moet worden aangegeven waarom het groepsrisico van dat besluit acceptabel is en wat de regionale brandweer ervan vindt. Verder is er een oriëntatiewaarde waarmee het werkelijke groepsrisico moet worden vergeleken. Het groepsrisico vindt dus vooral aan plek in de toelichting of ruimtelijke onderbouwing, maar de ruimtelijke consequenties kunnen ook doorwerken in het bestemmingsplan. De Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico en de Handreiking naar een veilige bestemming zijn hierbij goede hulpmiddelen.
Transport van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen)
De gemeente heeft op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen de mogelijkheid om in een bestemmingsplan de transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, water en spoor op te nemen. Hiermee is het mogelijk om drukke en/of ‘gevoelige’ locaties te vermijden. Op de verbeeldingkan dan de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone' worden aangegeven.
De twee circulaires van VROM beschreven de veiligheidsafstanden die gemeenten moeten waarborgen tussen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen en kwetsbare objecten. Hiervoor moest met name het bestemmingsplan worden gebruikt. Omdat de inhoud van de circulaires verouderd is, is een traject ingezet voor actualisatie. Momenteel geeft het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de eisen aan transporteren van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Zie voor de genoemde documenten de pagina buisleidingen.
- Voor de buisleidingen met brandbare vloeistoffen staan de afstanden in een advies van het RIVM. Ook kan afstand worden berekend met het programma Safeti.
- Voor aan te houden afstanden bij hogedruk aardgastransportleidingen (druk > 16 bar) is door het RIVM, Gasunie e.a. de rekentool CAROLA ontwikkeld. Met CAROLA kunt u bepalen of wordt voldaan aan de risiconormen voor de externe veiligheid die zijn vastgelegd in het Bevb. Naast de risico's van drooggasleidingen kunnen ook de risico's van nat- en zuurgasleidingen worden bepaald. De gebruiker kan de risico's berekenen op basis van locatiespecifieke leidingggegevens, die bij de leidingeigenaar moeten worden opgevraagd. Het resultaat van een berekening bestaat uit de plaatsgebonden risicocontouren (PR) en groepsrisicocurve (FN-curve). Het rekenpakket beschikt over een functionaliteit waarmee wordt bepaald waar de grootste overschrijding van het groepsrisico zich bevindt. Meer informatie over CAROLA kunt u vinden op de website van het RIVM.
- Voor transporten van overige gevaarlijke stoffen door buisleidingen kunt u in contact treden met de leidingexploitant voor het maken van risicioberekeningen.
In de toelichting in het bestemmingsplan kunnen relevante kenmerken van de buisleiding (druk, diameter, te vervoeren stof) worden vermeld. Het Bevb regelt dat binnen vijf jaar na inwerkingtreding alle bestemmingsplannen voor buisleidingen in overeenstemming met het Bevb zijn gebracht.
Gebruik van luchthavens
Het externe veiligheidsbeleid is voor de luchthaven Schiphol uitgewerkt in vigerende wet- en regelgeving. Voor de regionale burgervelden en militaire velden treedt binnen afzienbare tijd wetgeving in werking. Bij de militaire velden is ten aanzien van het opnemen van externe veiligheidsbeleid een “kan bepaling” opgenomen. Aanbevolen wordt om bij het opstellen of actualiseren van een bestemmingsplan hierop te anticiperen. Dit betekent dat in het bestemmingsplan ruimte moet worden vrijgehouden voor waar niet gebouwd mag worden en t.b.v. toegankelijkheid van hulpdiensten. In paragraaf 9.3.3 is een en ander toegelicht.
Wat kan niet?
De Raad van State heeft in uitspraken aangegeven dat het in principe niet de bedoeling is om strengere eisen te stellen dan die in het Bevi zijn opgenomen.

