Veiligheidsvoorschriften voor het kleinschalig vergisten van mest

Voorschriften voor kleinschalig vergisten van alleen dierlijke meststoffen (monovergisting) zijn opgenomen in paragraaf van 3.5.10 van het Activiteitenbesluit en 3.5.8 van de Activiteitenregeling. Aan het vergisten van dierlijke meststoffen zijn risico’s verbonden. Het vergistinggas dat hierbij wordt geproduceerd is een mengsel dat voornamelijk bestaat uit methaan, kooldioxide, zwavelwaterstof en ammoniak. Naast de risico’s voor de omgeving (externe veiligheid) zijn ook arbeidsveiligheid van medewerkers en hinder voor omwonenden belangrijke aspecten. Deze pagina beperkt zich tot externe veiligheid.

Algemene informatie over deze activiteit vindt u op de pagina 'Kleinschalig vergisten van mest'.

De risico’s verbonden aan de giftige en verstikkende eigenschappen van vergistinggas (zwavelwaterstof, ammoniak en kooldioxide) zijn vooral op de korte afstand van de installatie van belang. Hierbij is vooral de arbeidsveiligheid van belang en minder de veiligheid voor de omgeving. Door locatiekeuze kan namelijk voldoende afstand worden aangehouden en kunnen de risico’s voor de omgeving eenvoudig beperkt worden.

De belangrijkste risico’s voor de omgeving zijn de fysische en chemische eigenschappen van (vloeibaar) vergistinggas (ontvlambaarheid, zelfontbrandingstemperatuur, explosiegrenzen, relatieve dampdichtheid en dampspanning). Vergistinggas is een licht ontvlambaar gasmengsel, waardoor een (explosieve) verbranding kan voorkomen. Externe veiligheid voor de installatie gaat over het voorkomen van een (explosieve) verbanding en het beperken van eventuele gevolgen van een calamiteit. Belangrijke aspecten hierbij zijn:

  • het aanwezig zijn van een mobiele of stationaire fakkel
  • gasopslag die gasdicht is
  • de mogelijkheid om het vergistingsproces te kunnen stoppen tijdens een calamiteit
  • de integriteit van de installatie bij stroomuitval
  • monitoring van de samenstelling van het vergistinggas
  • maatregelen voor explosieveiligheid
  • deskundigheid van het bedienend personeel

Vergunningsituatie

Volgens het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn er voor het vergisten van dierlijke meststoffen twee mogelijkheden:

Verwerkingscapaciteit meer dan 25.000 m3 per jaar: Reguliere omgevingsvergunning milieu

Wel vergunningplicht, wel vergunningvoorschriften

In bijlage 1 C van het Bor worden categorieën inrichtingen genoemd waarvoor een omgevingsvergunning milieu benodigd is. Voor het vergisten van dierlijke meststoffen worden de volgende categorieën genoemd:

  • 7 h. inrichtingen voor de opslag van vergistinggas in een of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 20.000 liter
  • 7 j. inrichtingen voor de opslag van andere gassen dan propaan in ondergrondse opslagtanks
  • 7 k. inrichtingen voor de opslag van andere gassen dan vergistinggas in een gaszak
  • 5 h. inrichtingen voor het verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen of van digestaat dat overblijft na het vergisten van dierlijke mest, uitgezonderd het vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen zonder andere producten en met een capaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar.

Voor deze categorieën geldt een reguliere vergunningplicht, waaraan door het bevoegd gezag maatwerk voorschriften worden verbonden. De voorschriften opgenomen in §3.5.10 Activiteitenbesluit en §3.5.8 Activiteitenregeling zijn niet zonder meer van toepassing, omdat meer dan 25.000 m3 mest per jaar wordt verwerkt. Het bevoegd gezag volgt de reguliere procedure om de vergunning te verlenen of te weigeren en kan voor de maatwerkvoorschriften aansluiten bij voorschriften verbonden aan PGS 33.1 en de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.

Verwerkingscapaciteit tot 25.000 m3 per jaar: Omgevingsvergunning beperkte milieutoets

Wel vergunningplicht, geen vergunningvoorschriften

Een installatie voor het vergisten van uitsluitend dierlijke mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 m3 per jaar is vergunningplichtig en moet vooraf door het bevoegd gezag getoetst worden met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) (art. 2.2a lid 8 Bor). De OBM bestaat uit een toestemming of weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden (artikel 5.13a Bor).

Weigering van de vergunning bij onaanvaardbare risico’s voor de omgeving

De OBM wordt geweigerd (artikel 5.13b Bor) als de activiteit een onaanvaardbaar risico voor de leefomgeving heeft, hierbij worden in ieder geval betrokken:

  1. de ligging van de risicocontour
  2. de invloed van risicovolle activiteiten in de omgeving op de installatie, en
  3. de kans op gevolgen van incidenten bij de installatie en de mogelijke gevolgen daarvan voor de leefomgeving

Voorschriften §3.5.10 Activiteitenbesluit zijn van toepassing

De voorschriften van §3.5.10 van het Activiteitenbesluit gelden voor het vergisten van dierlijke mest met een maximale verwerkingscapaciteit van 25.000 m3 per jaar. De voorschriften gelden ook voor de biologisch behandelen van dierlijke meststoffen, het opslaan van biologisch actief digestaat en het opslaan, bewerken en transporteren van vergistinggas (tot 20.000 liter in opslagtanks), als dit voor of na het vergisten plaatsvindt (artikel 3.129c Activiteitenbesluit). De belangrijkste punten voor externe veiligheid zijn:

  • Een installatie en de opslag van digestaat dat nog biologisch actief is, moet gasdicht zijn en voorzien zijn van een overdrukbeveiliging (artikel 3.129d lid 1).
  • Het is verboden digestaat dat nog biologisch actief is buiten de inrichting te brengen of buiten de vergistingstank te mengen met andere dierlijke meststoffen (artikel 3.129 d lid 2).
  • Emissie van vergistinggas is verboden uitgezonderd emissie via de overdrukbeveiliging door een incident of via een fakkel of andere maatregel (artikel 3.129 lid 3).
  • Een installatie, inclusief het opslaan van vergistinggas en het transporteren en bewerken van vergistinggas, heeft een elektronisch monitoringssysteem dat de werking van de installatie controleert en waarschuwt bij incidenten. Binnen een uur na de waarschuwing wordt actie ondernomen om incidenten die zijn gemeld door het systeem te verhelpen (artikel 3.129d lid 4).
  • Als er onvoldoende maatregelen zijn getroffen om uitstoot van vergistinggas bij incidenten te voorkomen, kan bij maatwerkvoorschrift een fakkel of andere maatregel worden voorgeschreven (artikel 3.129d lid 5).
  • Tussen een gaszak met vergistinggas en buiten de inrichting gelegen (beperkt)kwetsbare objecten moet de afstand, gerekend vanaf het middelpunt van de gaszak, ten minste 50 meter zijn (art. 3.129f lid 1).
  • Tussen een opslagtank voor vloeibaar biogas en buiten de inrichting gelegen (beperkt)kwetsbare objecten moet de afstand, gerekend vanaf het aftappunt van de opslagtank, ten minste 50 meter zijn (art. 3.129f lid 2).
  • Binnen de hiervoor genoemde afstanden is overnachting en recreatief verblijf door derden niet toegestaan (art. 3.129f lid 3).

Voorschriften §3.5.8 Activiteitenregeling zijn van toepassing

Om risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen te voorkomen en te beperken wordt voldaan aan de volgende punten.

Kwaliteitsverklaring/inspectie (art. 3.102b)

  • Een installatie bezit een kwaliteitsverklaring, waaruit blijkt dat de installatie bij oplevering voldoet aan de NTA 9766. De geldigheid van de kwaliteitsverklaring is maximaal15 jaar.
  • Ten minste vier weken voor het aflopen van de kwaliteitsverklaring is beoordeeld of de installatie nog voldoet aan de NTA 9766 en moet een kwaliteitsverklaring worden afgegeven met referentieperiode.
  • Als de kwaliteitsverklaring alleen afgegeven kan worden als bepaalde reparaties of wijzigingen worden uitgevoerd, worden deze reparaties of wijzigingen uitgevoerd.
  • Als voor een installatie of voorziening geen kwaliteitsverklaring kan worden afgegeven, of de reparaties of wijzigingen niet worden uitgevoerd, wordt de installatie buiten gebruik gesteld.
  • Een gaszak waarin vergistinggas wordt opgeslagen wordt jaarlijks visueel geïnspecteerd op tekenen van verwering of slijtage en zo nodig gerepareerd.

Toegepaste materalen, noodprocedure, leidingen en buiten gebruik stellen installatie (art. 3.102d)

  • Een installatie moet uitgevoerd zijn in materialen die bestand zijn tegen de inwerking van dierlijke mest en vergistinggas.
  • Bij de relevante delen van een installatie moet een noodprocedure aanwezig zijn met een beschrijving van de handelingen die worden verricht bij incidenten en een lijst van contactpersonen en instanties die worden gewaarschuwd.
  • Als vergistinggas wordt geodoriseerd met tetrahydrothiofeen moet dit een onderdeel zijn van de noodprocedure en moet melding aan het bevoegd gezag, de brandweer en de lokale beheerder van het aardgasnet in deze procedure worden opgenomen.
  • Een installatie mag allen worden bediend door een persoon met voldoende deskundigheid. Bij de installatie moeten bedieningsinstructies aanwezig zijn.
  • Als vergistinggas via een leiding uit de inrichting wordt getransporteerd, moet de installatie die het vergistinggas op de leiding brengt zo zijn afgesteld dat bij een plotselinge drukval in de leiding de levering van biogas wordt stopgezet. In dat geval mag de levering pas hervat worden als is vastgesteld dat er geen problemen met de leiding zijn of deze zijn opgelost.
  • Bovengrondse vergistinggasleidingen moeten zijn beveiligd tegen aanrijden. Ondergrondse vergistinggasleidingen mogen niet onder gebouwen door lopen. Vergistinggasleidingen moeten herkenbaar als zodanig zijn gemerkt.
  • Als een installatie buiten gebruik wordt gesteld, moet eerst het restant vergistinggas uit de installatie worden verwijderd. Het vergistinggas moet als mogelijk nuttig toegepast worden en voor zover dat niet mogelijk is worden vernietigd of anders worden afgevoerd met zo min mogelijk gevaar voor mens en milieu. Zodra de installatie niet meer gasdicht is, wordt het overgebleven restproduct zo snel mogelijk uit de installatie verwijderd en gestabiliseerd.

Enkele voorschriften verbonden aan PGS 33.1 zijn van toepassing (art. 3.102e)

  • Op een vast opgestelde opslagtank voor vloeibaar vergistinggas zijn de voorschriften 2.2.1, 2.2.3 tot en met 2.2.6, 2.2.10, 2.2.13 tot en met 2.2.15 van PGS 33-1 van toepassing.
  • Bij het legen van de opslagtank zijn de voorschriften 3.3.1, 3.3.2, 3.3.6 tot en met 3.3.12, 5.5.1 tot en met 5.5.6 van PGS 33-1 van toepassing.
  • Een vast opgestelde opslagtank voor vloeibaar vergistinggas moet worden geleegd met composietslangen. Bij het legen van de tank moet potentiaalvereffening worden toegepast om statische oplading te voorkomen.

Uw onderwerpen