Energiebesparing en het Activiteitenbesluit

Dit onderdeel gaat in op de energiebesparing in het Activiteitenbesluit:

Op de pagina Bijlage 10 bij de Activiteitenregeling vindt u voor 19 branches de erkende maatregelen.

Energiebesparingsverplichting

De drijver van een inrichting moet alle maatregelen die zich in 5 jaar of sneller terugverdienen doorvoeren. Dit is een verplichting uit het Activiteitenbesluit en is een vertaling van de uitgangspunten van de Wabo en de Wet milieubeheer. In afdeling 2.6 Energiebesparing van het Activiteitenbesluit zijn artikelen 2.14c en 2.15 opgenomen. Deze artikelen bepalen de eisen aan energiebesparing.

Artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit gaat over besparing van energie in welke vorm dan ook en de bijbehorende informatieplicht. De wijze van opwekking (duurzaam of niet) of door wie (door de drijver van de inrichting zelf of door een energieleverancier) maakt niet uit. De te nemen maatregelen zijn dan ook alleen energiebesparende maatregelen. Duurzame energiemaatregelen (voor het opwekken van energie) zijn geen verplichting op basis van artikel 2.15 en ook geen alternatief voor energiebesparende maatregelen.

De energiebesparingsverplichting uit artikel 2.15 is alleen van toepassing op degene die inrichtingen van het type A of B drijft. Type C - inrichtingen krijgen de verplichtingen voor energiebesparing in hun Wabo-vergunning vastgelegd.

Het jaarlijkse energieverbruik van de inrichting bepaalt of een bedrijf aan de energiebesparingsverplichting moet voldoen. De eis geldt voor inrichtingen die onder de volgende categorieën vallen:

  • Middelgrote energieverbruiker: inrichting met een elektriciteitsverbruik in enig kalenderjaar van 50.000 kWh tot 200.000 kWh of een verbruik van aardgasequivalenten in enig kalenderjaar van 25.000 m3 tot 75.000 m3.
  • Grootverbruikers van energie: inrichting met een elektriciteitsverbruik in enig kalenderjaar van minimaal 200.000 kWh of een jaarlijks gebruik van aardgasequivalenten van minimaal 75.000 m3.

Het Activiteitenbesluit spreekt van de 'drijver van de inrichting'. Wie uiteindelijk welke maatregelen doorvoert kan afhankelijk zijn van de situatie. Dit kan de eigenaar of de huurder van het pand zijn. Zie de uitleg bij het onderdeel Inrichting, huurder en verhuurder.

Informatieplicht

Waarom een informatieplicht?

Uit de Nationale Energieverkenning 2017 blijkt dat het toezicht op (en handhaving van) de energiebesparingseis efficiënter kan. Hiermee komt een belangrijk deel van het doel in het Energieakkoord voor duurzame groei buiten bereik. Met de verkregen informatie is de handhaving efficiënter omdat hij die bedrijven kan bezoeken die achter lopen met het doorvoeren van energiebesparende maatregelen. Tegelijk moedigt de informatieplicht bedrijven en instellingen aan om met energiebesparing te starten.

wie moet voldoen aan de informatieplicht?

Als een onderneming onder de energiebesparingsplicht valt dan moet het vanaf 2019 ook voldoen aan de informatieplicht. De reikwijdte van de energiebesparingsplicht bepaalt dus ook of de informatieplicht geldt. Uitzondering hierop zijn de MJA-bedrijven waar de informatieplicht niet van toepassing is.

De drijver van de inrichting rapporteert daarom uiterlijk 1 juli 2019 aan het bevoegd gezag welke energiebesparende maatregelen er zijn genomen.

Daarna geldt dat eenmaal per vier jaar een nieuw rapport wordt ingediend. Dit is geregeld in het artikel 2.15, tweede lid, van het Activiteitenbesluit. Voor de rapportage is het eLoket van RVO.nl beschikbaar.

Specifiek voor EED energie-auditplichtige-ondernemingen geldt dat uiterlijk op 5 december 2019 een rapport bij het bevoegd gezag binnen is.

Verdere informatie over de informatieplicht vindt u op RVO.nl.

Uitzondering van de energiebesparingsverplichting en informatieplicht

Voor bepaalde inrichtingen is de energiebesparingsverplichting en informatieplicht van artikel 2.15 wettelijk niet van toepassing:

  • Kleinverbruikers van energie: inrichtingen met een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minder dan 50.000 kWh en een jaarlijks verbruik aan aardgasequivalenten van minder dan 25.000 m3.
  • Type C-inrichtingen: inrichtingen die activiteiten uitvoeren die in bijlage 1 en onderdeel B en C van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) staan, zijn aangewezen als omgevingsvergunningplichtig. Dit zijn onder meer zogenoemde IPPC-bedrijven met zeer energie-intensieve industriële installaties. In de omgevingsvergunning worden wel eisen voor energiebesparing opgenomen, maar niet volgens artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit. De basis hiervoor ligt in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
  • ETS-ondernemingen: inrichtingen die onder het Europese CO2-emissiehandelssysteem (ETS-bedrijven) vallen.
  • Glastuinbedrijven die deelnemen aan het CO2-vereveningssysteem (artikel 15.51 uit de Wet milieubeheer).

Naast deze wettelijke uitzonderingen geldt ook dat bedrijven of instellingen die deelnemen aan de Meerjarenafspraken energiebesparing (MJA3) worden geacht tijdens de looptijd te voldoen aan artikel 2.15. Voorwaarde is dat ze een goedgekeurd energie-efficiëntie plan (EEP) hebben. Dit plan moet ook in uitvoering zijn.

Voor deelnemers aan de meerjarenafspraken energie (MJA) blijft de huidige MJA-systematiek van kracht. Dit ligt vast in het Energieakkoord. Deelnemers binden zich aan:

  • het opstellen en uitvoeren van een energie-efficiëntieplan
  • het nemen van maatregelen met een terugverdientijd kleiner dan of gelijk aan vijf jaar

Daarmee voldoen ze aan de energiebesparingsverplichting. De lijst met erkende maatregelen is voor hen dus niet van toepassing. Ze kunnen deze wel als inspiratiebron gebruiken bijvoorbeeld bij het opstellen van het 4-jaarlijkse energie-efficiëntieplan. De informatieplicht is voor MJA-bedrijven niet van toepassing.

Fasering maatregelen

Het bevoegd gezag of de omgevingsdienst kan instemmen met een gefaseerde uitvoering van de maatregelen. De drijver kan dit verzoek indienen. Het bevoegd gezag legt de fasering vast in een maatwerkvoorschrift.

In overleg met de ondernemer legt het bevoegd gezag de fasering vast door de tijdstippen van uitvoering te benoemen. Het kan hier ook om maatregelen gaan die altijd rendabel zijn. Het kopje Natuurlijke en zelfstandige momenten bij onderdeel Bijlage 10 bij de Activiteitenregeling, gaat in op de situatie waarbij maatregelen soms (op natuurlijke momenten) rendabel zijn. Zo kan het bevoegd gezag rekening houden met:

  • Bedrijfseconomische omstandigheden: het kan daarbij gaan om de financiële situatie van een inrichting waardoor aantoonbaar fasering van de maatregelen nodig is. Een voorbeeld is de situatie dat een bedrijf geen krediet krijgt van zijn financier. Ook kan het gaan over split incentives. Misschien hebben huurder en beheersorganisatie tijd nodig om afspraken te maken over het nemen van besparingsmaatregelen. En ook over de eventuele consequenties die de maatregelen kunnen hebben voor de huurovereenkomst. Meer uitleg hierover vindt u bij Inrichting, huurder en verhuurder. De ondernemer kan faseren niet gebruiken om het nemen van maatregelen vooruit te schuiven. Omstandigheden die ontstaan bij doorlopend slecht management vallen niet onder de hier bedoelde 'bedrijfseconomische omstandigheden'.
  • Investerings- en vervangingsmomenten: het gaat er om aan te sluiten bij bekende natuurlijke momenten in de bedrijfsvoering zoals regelmatig onderhoud en renovaties. Ook al is een maatregel rendabel (terugverdientijd niet langer dan vijf jaar), de uitvoering van de maatregel is vaak goedkoper door aan te sluiten bij natuurlijke momenten. Het bevoegd gezag mag hier rekening mee houden.

Het stellen van termijnen voor de realisatie is een aandachtspunt en is afhankelijk van de situatie. De ondernemer levert een planning aan van de tijdstippen waarop hij/zij de te nemen maatregelen doorvoert.

Het bevoegd gezag beoordeelt deze planning en geeft wel of geen goedkeuring. In een maatwerkvoorschrift wordt per uitgestelde maatregel een redelijke termijn vastgesteld en vastgelegd. Het bevoegd gezag communiceert de fasering aan de ondernemer die vervolgens verantwoordelijk is voor de uitvoering. Het bevoegd gezag controleert regelmatig of de maatregelen zijn genomen.

Zorgplicht

Het Activiteitenbesluit bevat een algemeen zorgplichtbeginsel (artikel 2.1) voor de 'drijver van de inrichting': er moet binnen een inrichting een doelmatig gebruik van energie plaatsvinden. De besparingsverplichting is in artikel 2.15 uitputtend geregeld omdat artikel 2.15 zowel klein-, midden-, en grootverbruikers noemt. Door de uitputtendheid is het niet mogelijk (aanvullende) maatwerkvoorschriften te stellen op basis van de zorgplicht (zelfs niet voor kleinverbruikers). Een uitzondering hierop vormt de situatie waarbij er sprake is van 'evidente energieverspilling' (overduidelijke verspilling).

Energiebesparende maatregelen voor vervoer zijn geen onderdeel van het Activiteitenbesluit en de erkende maatregelensystematiek. Het Activiteitenbesluit richt zich op het begrip inrichting. Vervoer is geen onderdeel van de inrichting. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft wel inzicht in de wijze waarop invulling te geven aan de Zorgplicht van Wm en het Activiteitenbesluit.


Uw onderwerpen