Systematiek erkende maatregelen

Dit hoofdstuk begint met de belangrijke artikelen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Daarna vat het hoofdstuk de belangrijkste onderdelen van de erkende maatregelenaanpak samen. In afdeling 2.6 Energiebesparing van het Activiteitenbesluit staan in artikel 2.14c en artikel 2.15, lid 1 tot en met 9, de eisen aan energiebesparing.

De regelgeving

Artikel 2.14c Activiteitenbesluit

Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.

Artikel 2.15 Activiteitenbesluit

1. Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

2. Degene die de inrichting drijft rapporteert uiterlijk op 1 juli 2019 en daarna eenmaal per vier jaar aan het bevoegd gezag welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.

3. Indien andere maatregelen zijn uitgevoerd dan de maatregelen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen, voor zover deze op de inrichting van toepassing zijn, worden deze maatregelen in de rapportage omschreven.

4. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een gefaseerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, toestaan waarbij rekening wordt gehouden met de bedrijfseconomische omstandigheden van de inrichting. Hierbij stelt het bevoegd gezag per maatregel een redelijke termijn vast waarbinnen die maatregel moet zijn uitgevoerd.

5. Indien aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft waarvan het energieverbruik in enig kalenderjaar groter is dan 200.000 kilowatt uur aan elektriciteit of groter is dan 75.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen, verplichten om binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn, onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of aan het eerste lid wordt voldaan.

6. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, blijkt dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, neemt degene die de inrichting drijft de in het eerste lid bedoelde maatregelen binnen een door het bevoegd gezag te bepalen redelijke termijn.

7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien het energiegebruik in de inrichting in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kilowatt uur aan elektriciteit en kleiner is dan 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen.

8. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een inrichting waarop de verboden, bedoeld in artikel 16.5 van de wet, betrekking hebben en op een inrichting als bedoeld in artikel 15.51, eerste lid, van de wet.

9. Het tweede lid is niet van toepassing op degene die de inrichting drijft die is toegetreden tot de meerjarenafspraak energie-efficiëntie.

10. In afwijking van het tweede lid rapporteert degene die een inrichting drijft, die op 1 januari 2019 nog niet was opgericht, voor de eerste maal uiterlijk een jaar na oprichting van de inrichting.

11. In afwijking van het tweede lid rapporteert degene die een inrichting drijft, die onderdeel uitmaakt van een onderneming die geen kleine of middelgrote onderneming is, als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de richtlijn energie-efficiëntie, voor de eerste maal uiterlijk op 5 december 2019.

Artikel 2.16 Activiteitenregeling

Aan artikel 2.15, eerste lid, van het besluit wordt, voor de in bijlage 10 aangewezen typen van energiebesparende maatregelen en aangewezen activiteiten, door degene die de inrichting drijft in ieder geval voldaan als alle maatregelen per aangewezen type en per aangewezen activiteit zijn getroffen voor de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort.

Artikelen 2.16a tot en met 2.16d bevatten de eisen voor de rapportage (informatieplicht), bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, van het Activiteitenbesluit.

Belangrijke onderdelen erkende maatregelaanpak

Hoe werkt de energiebesparingsplicht?

De energiebesparingsplicht geldt voor de drijver van een inrichting. Bij iedere bedrijfsmatige activiteit die meer dan 50.000 kWh elektriciteit en of meer dan 25.000 m³ aardgas verbruikt moet de drijver maatregelen nemen. Deze samenvatting spreekt verder van bedrijven en ondernemers, maar hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor overheids- en publieke instellingen als gemeentehuizen, scholen en ziekenhuizen.

De plicht om alle energiebesparende maatregelen te nemen die zich binnen vijf jaar terugverdienen geldt niet voor:

  • Kleine energieverbruikers: met een jaarlijks elektriciteitsverbruik < 50.000 kWh en een jaarlijks verbruik aan aardgasequivalenten van < 25.000 m³.
  • Type C-inrichtingen: onder andere IPPC-bedrijven met energie-intensieve installaties.
  • Bedrijven onder het Europese CO2-emmissiehandelssysteem (ETS-bedrijven).
  • Glastuinbedrijven die deelnemen aan het CO2-vereveningssysteem.

De drijver kan de plicht ook anders invullen:

  • Bij MJA-bedrijven door een goedgekeurd en in uitvoering genomen energie efficiëntie plan (EEP) te hebben. Het bevoegd gezag toetst een MJA-bedrijf op het eigen EEP.
  • Voor sommige bedrijfstakken geldt dat bij nieuwbouw jonger dan een aantal jaar en gebouwen met een energielabel  van bijvoorbeeld C (of beter) de maatregelen als genomen kunnen worden beschouwd. De ouderdom en het energielabel worden per bedrijfstak bepaald (zie geldende maatregelenlijst).

NB Artikel 2.15 gaat over besparing van energie in welke vorm dan ook. Hoe of door wie de energie is opgewekt (duurzaam of niet, zelf of een ander), doet niet ter zake.

Hoe werkt de erkende maatregelenaanpak?

Ondernemers die vallen onder artikel 2.15, moeten alle maatregelen treffen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen. Om de uitvoering van deze verplichting te vereenvoudigen zijn er sinds najaar 2015 erkende maatregelenlijsten per sector. De maatregelen zijn in 2018 geactualiseerd en vanaf april 2019 van kracht. Als een inrichting alle van toepassing zijnde, uitvoerbare erkende maatregelen neemt, voldoet hij aan de verplichting.

Kenmerken van erkende maatregelenlijsten:

  • Vrijwillig: voor ondernemers die de erkende maatregelenlijst niet gebruiken, blijft de verplichting (artikel 2.15) van kracht. De ondernemer neemt alle maatregelen die zich in vijf jaar terugverdienen. Dit kan met een energiebesparingsadvies op maat door een adviseur. De toezichthouder controleert vervolgens of daarmee aan de energiebesparingsplicht is voldaan.
  • Erkend: ondernemers die alle geldende erkende maatregelen toepassen, voldoen automatisch aan de wettelijke verplichting (artikel 2.15).
  • Doelgroep: er zijn erkende maatregelenlijsten voor 19 bedrijfstakken:
  1. Metalelektro en mkb-metaal
  2. Autoschadeherstelbedrijven
  3. Gezondheids- en welzijnszorginstellingen
  4. Kantoren
  5. Onderwijsinstellingen
  6. Commerciële datacentra
  7. Rubber- en kunststofindustrie
  8. Levensmiddelenindustrie
  9. Agrarische sector
  10. Mobiliteitsbranche
  11. Sport en recreatie
  12. Hotels en restaurants
  13. Drukkerijen, papier en karton
  14. Bouwmaterialen
  15. Verf en drukinkt
  16. Tankstations en autowasinrichtingen
  17. Meubels en hout
  18. Bedrijfshallen
  19. Detailhandel
  • Situatie specifiek: bij elke maatregel staat aangegeven wanneer deze van toepassing is en of er gewacht kan worden op een 'natuurlijk moment' (zoals een verbouwing).
  • Sector: elke lijst geldt voor bedrijven die vallen binnen de beschreven SBI-codes. De erkende maatregelenlijst is uitputtend, tenzij bij een lijst staat dat dit niet het geval is.
  • Technische randvoorwaarden: voor de erkende maatregelen zijn technische randvoorwaarden beschreven. Als voorbeeld: voor een HR-ketel is een technische randvoorwaarde dat condens- en rookgasafvoer mogelijk is. Als dat niet kan, is de maatregel niet van toepassing.
  • Economische randvoorwaarden: deze bepalen of een maatregel van toepassing is. Zo kunnen voor grote gebouwen lagere energieprijzen gelden waardoor maatregelen niet rendabel zijn. Hierdoor is spouwmuurisolatie boven een bepaald (hoog) gasverbruik bijvoorbeeld niet van toepassing.
  • Natuurlijk moment: bepaalde maatregelen zijn alleen rendabel als de maatregel op een natuurlijk moment wordt getroffen. Alleen als de ondernemer toch al van plan is het dak te vervangen, is dakisolatie rendabel. Wannéér een natuurlijk moment zich voordoet, is aan de ondernemer. Hij/zij bepaalt wanneer het dak wordt vervangen, hij/zij groot onderhoud pleegt, of renoveert etc. De ondernemer moet zich op dat moment realiseren, dat sprake is van een verplichting op basis van artikel 2.15.

Alternatieve maatregelen

Een ondernemer kan een alternatieve maatregel treffen die niet op de lijst van erkende maatregelen staat. Voor de toezichthouder is dan doorslaggevend of de alternatieve maatregel een minstens even grote energiebesparing bereikt. Is dat het geval, dan voldoet de ondernemer aan de besparingsverplichting. Maatregelen waarbij energie op een duurzame manier wordt opgewekt, gelden niet als alternatieve maatregel omdat dit geen energiebesparing betreft. Ditzelfde geldt voor een maatregel van een andere activiteit of type. Zo kan een verlichtingsmaatregel nooit een alternatief zijn voor een verwarmingsmaatregel.

Doelmatige Beheer en Onderhoud (DBO)

Om zoveel mogelijk energie te besparen moet de drijver van de inrichting de erkende maatregelen goed beheren. Bij erkende maatregelen kan daarom zijn aangegeven welk onderhoud en beheer nodig is. Wie dat niet (goed) doet, voldoet niet aan artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit. Een voorbeeld is het goed afstellen van installaties.

Voor zowel bedrijven als toezichthouder is hiermee duidelijk, wat het toezicht op beheer en onderhoud bij erkende maatregelen inhoudt. De toezichthouder kan hierop handhaven.

Huurpanden ("split incentives")

Bij huurpanden bepaalt het bevoegd gezag wie de 'drijver van de inrichting' is. Dit hangt af van de vraag wie (op basis van bijvoorbeeld het huurcontract) bevoegd is de energiebesparende maatregelen te treffen: verhuurder, huurder of een combinatie. Bij een combinatie wordt de verhuurder vaak aangesproken op gebouwgebonden en de huurder op proces-gebonden maatregelen. Soms moeten huurder en verhuurder nieuwe afspraken maken.

Uitvoeringstermijn maatregelen

De toezichthouder kan met de ondernemer afspraken maken over het stellen van 'redelijke termijnen' voor het treffen van maatregelen (fasering). Hiermee kan de toezichthouder beter rekening houden met bedrijfseconomische omstandigheden (zoals beperkte financieringsmogelijkheden), aanstaande natuurlijke momenten of split incentives. Met de invoering van de erkende maatregelaanpak is, naar overtuiging van de betrokken partijen, een goed middel tot energiebesparing geïntroduceerd. Bedrijven kunnen daarnaast, vrijwillig, extra energiebesparende maatregelen nemen.

Bedrijven kunnen ook kiezen voor een eigen invulling van de energiebesparingsverplichting. Het bevoegd gezag houdt dan 'gewoon' toezicht op basis van artikel 2.15, maar dan zonder de erkende maatregelaanpak. Dit laatste geldt ook als uit de praktijk blijkt dat een ondernemer toch niet volgens de erkende maatregelaanpak handelt. Dan kan het bevoegd gezag na overleg met de ondernemer besluiten de ondernemer op artikel 2.15 aan te spreken.