Beoordelen aanvraag omgevingsvergunning

In de Wabo is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij een beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning, beoordeelt of de drijver van de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT; artikel 1.1 onder 1) in de inrichting heeft toegepast (artikel 2.14 van de Wabo).

Deze technieken zijn ook nodig om energiegebruik te voorkomen of te beperken en hiermee energie te besparen. Bij het voorschrijven van energiemaatregelen weegt het bevoegd gezag de economische en technische haalbaarheid hiervan mee.

In de wet (artikel 2.14, lid 6) staat ook dat een algemene maatregel van bestuur (AMvB; het Besluit omgevingsrecht) regels kan stellen over de wijze waarop de bepaling van deze technieken plaatsvindt.

Nadelige gevolgen beperken en BBT toepassen

Het Bor (artikel 5.3) gaat verder in op de eis van gebruik van de beste beschikbare technieken (BBT). Om het milieu zo goed mogelijk te beschermen (‘nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken’) past men minstens BBT toe.

Het kan hier bijvoorbeeld gaan om technieken die een significante energiebesparing mogelijk maken en zich daarmee bijna altijd terugverdienen. Als de terugverdientijd redelijk (minder dan vijf jaar) is, kunnen de nieuwe technieken door het bevoegd gezag voorgeschreven worden. Op basis van het Bor (artikel 5.4, lid 3 en sub i) betrekt het bevoegd gezag energie-efficiëntie in het vergunningproces. Hierbij ‘rekening houdend met de voorzienbare kosten en baten van maatregelen, en met het voorzorg- en het preventiebeginsel’.

Ook kan worden overwogen om bij belangrijke veranderingen in de BBT, die een aanmerkelijke beperking van het verbruik zonder buitensporige kosten mogelijk maken, de vergunning aan te passen.

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden met de verplichting tot het treffen van technische maatregelen. Gaan die voorschriften over een IPPC-installatie? Dan schrijft het bevoegd gezag het niet gebruiken van bepaalde technieken of technologieën voor (Bor; artikel 5.6).

Doelmatig gebruik van energie

Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning in ieder geval voorschriften over een doelmatig gebruik van energie (Bor; artikel 5.7, lid 1 en sub a).

Toetsen van de aanvraag

Bij het doorlopen van het omgevingsloket moet de ondernemer een aantal energiegerelateerde vragen beantwoorden. In de inleiding is al stil gestaan bij de vragen die hier aan de orde komen. Op basis van de informatie die is aangeleverd bij de aanvraag, weegt de overheid diverse energiegerelateerde aspecten af. Dit is van invloed op de verdere aanpak, bijvoorbeeld over ETS-bedrijven, MJA-bedrijven en overige bedrijven.

Niet-Vergunningplichtige inrichting en energie-eisen

Als de inrichting niet vergunningplichtig is volgens de Wabo dan valt het bedrijf onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. In dat kader (artikel 1.10) moet het bedrijf een melding doen.