Realiseren bedrijf bij een geluidsgevoelige functie

Hier vindt u informatie over het ruimtelijk mogelijk maken van een bedrijf bij een gevoelige bestemming. De informatie heeft geen betrekking op situaties op een gezoneerd industrieterrein.

Regelmatig komt het voor dat een bedrijf zich op een bepaald (niet volgens Wgh gezoneerd) perceel wil vestigen, waarbij deze vestiging in strijd is met het geldende bestemmingsplan. In deze situatie is de Wgh niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er sprake blijft van een aanvaardbare akoestische kwaliteit bij de bestaande geluidsgevoelige bestemmingen.
Daarnaast moet natuurlijk gekeken worden of het akoestisch mogelijk is om het bedrijf daar te realiseren. De VNG-brochure "bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. Wordt aan de richtafstanden van deze brochure voldaan dan kan in de meeste gevallen worden aangenomen dat het akoestisch klimaat bij de bestaande geluidsgevoelige bestemming(en) voldoende is en dat het bedrijf zich daar kan vestigen zonder vergaande voorschriften in het milieuspoor (in vergunning, of maatwerk in het Activiteitenbesluit).

Er moet in de akoestische beschouwing worden uitgegaan van wat binnen de nieuwe bestemming redelijkerwijs akoestisch mogelijk is en niet van een eventuele vergunningsaanvraag. Hoewel dit laatste vaak gebeurt, zal dit in de toekomst in het milieuspoor tot een knelpunt kunnen leiden als er een groot verschil is tussen wat nu aan activiteiten wordt aangevraagd en wat in principe binnen de bestemming mogelijk is. Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Wordt (de ruimere) bestemming "uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen media" (SBI-code 22) mogelijk gemaakt, dan geldt op basis van de VNG-brochure een grootste richtafstand van 100 meter. Wordt specifieker bestemd, namelijk "uitgeverijen, kantoren" (SBI-code 221) geldt een richtwaarde van 10 meter. Het is dus ook een afweging tussen een meer flexibel of specifiek bestemmingsplan.

Zijn de richtafstanden uit de VNG-brochure niet haalbaar en is de vestiging van het bedrijf toch gewenst, dan is een verdere akoestische onderbouwing nodig voor de bestemmingsplanwijziging. De VNG-publicatie geeft hiervoor een stappenplan in bijlage 5.3). Hierbij kunnen de toetsingskaders van het milieuspoor gehanteerd worden (hoofdstuk 4 van de  "Handreiking voor vergunningplichtige inrichtingen" of het Activiteitenbesluit voor inrichtingen die daaronder vallen). Omdat in redelijkheid uitgegaan moet worden van de akoestische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zullen alle geluidsbronnen van dat perceel in de afweging worden meegenomen. Krijgt een perceel bijvoorbeeld de bestemming "horeca" en er is een buitenterras mogelijk? Dan zullen ook geluidsbronnen als onversterkte muziek of menselijk stemgeluid in de beschouwing moeten worden meegenomen. (Ook al worden deze in het milieuspoor in een aantal gevallen niet getoetst.) Dergelijke bronnen kunnen namelijk een grote invloed hebben op het akoestisch klimaat. In het ruimtelijk spoor zijn er keuzes mogelijk die dit klimaat beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld de locatiekeuze.

Maatregelen in bestemmingsplan
Heeft een nieuwe bestemming "bedrijf" in eerste instantie een te grote negatieve invloed op geluidsgevoelige bestemmingen? Dan kan met gebruiksvoorschriften in een bestemmingsplan het akoestisch klimaat bij geluidsgevoelige bestemmingen alsnog beschermd worden. Een voorbeeld hiervan is dat bij een bestemming horeca via het bestemmingsplan vanwege overlast van menselijk stemgeluid een buitenterras niet mogelijk wordt gemaakt. De buitenruimte krijgt dan geen bestemming 'horeca' maar bijvoorbeeld 'erf'.


Uw onderwerpen