Akoestisch rapport omgevingsvergunning milieu

Artikel 2.22 van de Wabo verplicht het bevoegd gezag voorschriften, in belang van de bescherming van het milieu, te verbinden aan een omgevingsvergunning (voor inrichtingen, artikel 2.14).

Indienen van een akoestisch rapport is geen verplichting volgens de indieningvereisten (hoofdstuk 4 Mor). Alleen voor de categorieën van bedrijven die in artikel 4.5 van het Mor staan, geldt dat zij informatie over geluidsproductie moeten geven. Hierna staat de gegevensvraag toegelicht:

Alle vergunningsplichtige inrichtingen

Veel bedrijven kunnen volstaan met een opgave dan de aanwezige geluidsbronnen, bedrijfstijden en emissiegegevens. Met deze informatie kan het bevoegd gezag een indicatieve berekening van de geluidsuitstraling maken. Deze indicatieve berekening is in veel situaties voldoende nauwkeurig. Bij het beoordelen van de aanvraag kunnen ook andere gegevens helpen bij een akoestische inschatting. Hierbij kan aangesloten worden de andere gegevens zoals vermeld op de pagina over Melding en Akoestisch rapport Activiteitenbesluit.

Het bevoegd gezag kan overwegen zelf (aanvullend) akoestisch onderzoek te doen voor de beoordeling van een aanvraag of het opstellen van de geluidsvoorschriften. Deze resultaten kunnen meewegen in het besluit. Het bevoegd gezag moet dan uitgaan van de (basis) informatie die door de aanvrager is aangeleverd. Van het uitgevoerde onderzoek moet in de omgevingsvergunning verslag worden gedaan.

Als toch meer informatie nodig is kan het bevoegd gezag op basis van artikel 4.1 Mor een akoestisch rapport vragen van bedrijven. Het bevoegd gezag moet motiveren waarom het rapport in deze situatie gewenst is. Het verzoek om een rapport mag niet onredelijk zijn. In de overwegingen kunnen de volgende zaken worden betrokken:

  • een geluidsbeleidsplan waaruit blijkt dat de geluidsruimte zeer beperkt is
  • als uit een eerste indicatieve berekening van het bevoegd gezag blijkt dat de inrichting niet (zonder meer) kan voldoen aan de te stellen geluidseisen. Dit kan op basis van de gegevens uit de aanvraag zoals aanwezigen geluidsbronnen, bedrijfstijden en emissiegegeven
  • handhavingproblemen in het verleden

Het bevoegd gezag kan, binnen redelijke grenzen, eisen stellen aan vorm en inhoud van het aan te leveren geluidsrapport. Hierbij kan het bevoegd gezag aansluiten op de rapportagevereisten zoals aangegeven in de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (HMRI 1999). Naast de gebruikelijke gegevens in een aanvraag wordt voor het aspect geluid in ieder geval aangegeven:

  • inhoud vigerende vergunning; kenmerk / datum beschikking
  • ligging van woningen en andere geluidsgevoelige objecten
  • beschrijving van de bedrijfssituatie(s)
  • meetresultaten: meetdatum, meettijd en overige meetomstandigheden
  • toegepaste meetmethode(n): verwijzing naar HMRI 1999
  • beschrijving bedrijfssituaties
  • resultaten van metingen, berekeningen en toetsingen
  • maatregelen: al getroffen en mogelijke maatregelen; kosten en effect;
  • gegevens m.b.t. het gehanteerde rekenmodel

Vergunningsplichtige inrichtingen aangewezen in Bor, Mor

Inrichtingen die vallen onder artikel 4.5 Mor zijn inrichtingen

  • die behoren tot een categorie, genoemd in Bijlage I onder 11.1, 12.1, 13.1, onder a, 1° en 2°, 17.1, 18 of 19 Bor ,
  • of die behoren tot een categorie met Gedeputeerde Staten of de Minister als bevoegd gezag.

Deze inrichtingen zijn verplicht de volgende gegevens aan te leveren:

  • de aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten geluidsbelasting die de inrichting in een door het bevoegd gezag aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken
  • de tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen
  • de methode waarmee de aard van de geluiden en hoogte van de geluidsbelasting zijn vastgesteld

In de Wm en de Wabo staat niet welke reken- en meetmethode gebruikt moet worden om de geluidbelasting in kaart te brengen. In de praktijk wordt de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 gebruikt. Deze handleiding is ook in de jurisprudentie aanvaard. Ook het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting, de indirecte hinder, wordt bepaald met deze handleiding.

Vergunningplichtige inrichting op een gezoneerd industrieterrein

Het bevoegd gezag is, als zij een vergunning verleent, verplicht de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen (artikel 2.14 lid 1 sub c Wabo). Daarbij gaat het voor de Wet geluidhinder om grenswaarden gericht op de gecumuleerde geluidsbelasting van alle inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein. Een uitzondering daarop is het geluid van windturbines, artikel 1b lid 2 Wgh. Er is dus niet alleen een toetsing van de geluidsbelasting van het individuele bedrijf waarvoor een vergunning moet worden verleend.

De ligging op een gezoneerd industrieterrein kan een reden zijn om (artikel 4.1 Mor) een geluidsrapport te vragen.

De aanvraag moet volgens artikel 4.1 lid 1 onder e en onder g Mor, voldoende gegevens bevatten om aan de grenswaarden te kunnen toetsen. Daarbij gaat het om gegevens die relevant zijn voor de geluidsuitstraling van de inrichting (artikel 165 Wgh). Het gaat om informatie over type en plaats van de geluidsbronnen, bronvermogens, bedrijfstijden en dergelijke. Deze emissiegegevens zullen door de zonebeheerder zelf in het beheermodel moeten worden opgenomen.


Wetgeving