Geluidsvoorschriften

Artikel 2.22 van de Wabo verplicht het bevoegd gezag aan een omgevingsvergunning voorschriften te verbinden voor de bescherming van het milieu. In de Wabo zelf zijn geen objecten genoemd die bescherming tegen (geluid)hinder vragen. Bij het stellen van voorschriften tegen geluidhinder is "de bescherming van het milieu" leidend.

In hoofdstuk 5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) staan regels over de inhoud van de omgevingsvergunning, zoals de voorschriften. Artikel 5.5 eerste lid van het Bor gaat over het stellen van doelvoorschriften. Het voorschrijven van middelvoorschriften is mogelijk op grond van de artikel 5.6 en 5.7 Bor.

Hier vindt u na de inleiding informatie over de volgende onderwerpen:

Inleiding

Geluidsvoorschriften moeten het belang van de bescherming van het milieu dienen. De inrichting moet aan alle geluidsvoorschriften kunnen voldoen. Dat moet het bevoegd gezag op het moment van vergunningverlening motiveren. Hierbij kan het bevoegd gezag zich baseren op de vergunningaanvraag en eigen informatie. Voorschriften moeten controleerbaar en handhaafbaar zijn.

Een goed voorschrift zorgt voor het zoveel als redelijkerwijs mogelijk beperken van hinder. Dat kan bijvoorbeeld door niet meer geluidsruimte te bieden dan nodig is. Daarnaast kunnen voorzieningen en gedragsregels worden voorgeschreven. Bij activiteiten waarvan bij de vergunningverlening niet bekend is wanneer zij plaatsvinden, kan worden bepaald dat de inrichting deze vooraf meldt aan het bevoegd gezag.

De considerans onderbouwt de voorschriften die in het belang van de bescherming van het milieu aan de vergunning zijn verbonden. In de considerans van de verleende omgevingsvergunning moet tenminste staan:

  • hoe de aanvraag is beoordeeld
  • hoe de normstelling is bepaald
  • en wat het resultaat is van de toetsing van de aangevraagde geluidsruimte aan de gestelde grenswaarden.

In de considerans motiveert het bevoegd gezag ook het niet stellen van voorschriften. Cumulatie van geluid kan onderdeel zijn van de overwegingen. Voor de normstelling kan het bevoegd gezag aansluiting zoeken bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

Bestaande situatie en rechten

Bij wijziging of revisie van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag rekening houden met bestaande rechten. Tot op zekere hoogte kan het bevoegd gezag de bestaande rechten van een inrichting inperken. Dit staat in artikel 2.6, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Dit artikel regelt dat het bevoegde gezag bij een revisievergunning de bestaande rechten (die de vergunninghouder heeft uit eerdere vergunning(en), niet te veel mag inperken. Ze mag bij het verlenen van de revisievergunning deze rechten niet wijzigen, anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van de mogelijkheid tot het wijzigen van de voorschriften (artikel 2.31 Wabo) of het intrekken van de vergunning (artikel 2.33 Wabo). Deze bepaling stond in de Wet milieubeheer (Wm: in het voormalige artikel 8.4 lid 3 Wm. Uit de jurisprudentie blijkt dat het aantasten van de bestaande rechten mag, als de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

Het bevoegd gezag moet motiveren waarom zij geluidsvoorschriften aanscherpt. Beste beschikbare technieken kunnen daar een rol bij spelen. Ook moet het bevoegd gezag aantonen dat het bedrijf aan de nieuwe voorschriften kan voldoen.

Bestaand recht gaat niet over de eerder vergunde geluidsruimte, maar over de vergunde activiteiten. Vooral bij oudere vergunningen komt het voor dat in die tijd de werkzaamheden slechts summier zijn beschreven in de aanvraag en vergunning. In die gevallen is het uitgangspunt voor de "bestaande rechten" (en geluidsruimte) de bedrijfsvoering ten tijde van de verleende vergunning.

Als criteria voor het vertalen van de eerder vergunde activiteiten naar “geluidsrechten” gelden:

  • het geluid is afkomstig van activiteiten die eerder in de aanvraag om de omgevingsvergunning zijn genoemd, en/of in de vigerende omgevingsvergunning zijn genoemd of bedoeld
  • en de destijds vergunde activiteiten zijn ook onderdeel van de actuele bedrijfssituatie, en
  • de activiteiten zijn nog steeds noodzakelijk voor de actuele bedrijfsvoering.

De bestaande rechten neemt het bevoegd gezag mee bij het motiveren van geluidsvoorschriften.

Voorbeeld: Een scheepsreparatiebedrijf heeft een vergunning uit 1992. Daarin staat dat zij gedurende het gehele etmaal schepen repareren aan de kade. Er zijn geen LAmax geluidsvoorschriften opgenomen. Het bedrijf maakt nu gebruik van reparatiedokken, en vraagt daarvoor een omgevingsvergunning. Uit het geluidsrapport blijkt dat destijds (in 1992) het LAmax geluidsniveau op de woningen in de nachtperiode 76 dB(A) moet hebben bedragen. Het bedrijf vraagt om deze LAmax geluidsniveaus opnieuw, maar nu expliciet, te vergunnen. Het bevoegd gezag weigert. In beroep oordeelt de rechter dat het bedrijf geen recht heeft op 76 dB(A) maar wel op het in de nachtperiode repareren van schepen. Omdat nu gebruik wordt gemaakt van dokken is het LAmax niveau nu wel lager geworden, namelijk 70 dB(A). De rechter spreekt uit dat voor de nachtperiode inderdaad een LAmax geluidsniveau van 70 dB(A) vergund moet worden. De rechter is overigens wel met het bevoegd gezag van oordeel dat van het bedrijf mag worden geëist dat zij, juist vanwege dat LAmax niveau van 70 dB(A), in de avond- en nachtperiode verplicht gebruik moet maken van de dokken, en geen reparaties aan langs de kade afgemeerde schepen mag uitvoeren.

Doelvoorschriften

Het is gebruikelijk om geluidsvoorschriften uit te drukken als doelvoorschriften: op punt A mag het geluidsniveau niet hoger zijn dan X dB. Een doelvoorschrift bepaalt de acceptabele geluidsbelasting op een geluidsgevoelig object. Bij doelvoorschriften moet het duidelijk zijn voor welk beoordelingspunt de gestelde grenswaarden gelden. Bij voorkeur wordt het adres van een woning genoemd. Eventueel kan het beoordelingspunt op een kaart in de bijlage van de omgevingsvergunning worden weergegeven. Omschrijvingen als “bij de woning gelegen aan …” kan tot misverstanden leiden als (na datum vergunningverlening) aan dezelfde straat nieuwe woningen komen.

Bij voorkeur gelden geluidsvoorschriften voor de belasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten. Als er geen gevels aanwezig zijn kan de belasting bijvoorbeeld op punten op 50 meter van de erfgrens van de inrichting vastgelegd worden. De relatie met de bescherming van een milieu, in dit geval het geluidsgevoelig object, moet hierbij altijd duidelijk zijn. Uitzondering hierop is een voorschrift dat alleen is bedoeld voor het vastleggen van (het effect van) te treffen geluidsmaatregelen en niet voor de inrichting als geheel.

Bij voorkeur bevat een vergunning, zowel voor de LAr,LT als LAmax, aparte voorschriften voor de dag-, avond- en nachtperiode. Een continu werkende inrichting maakt in de dagperiode meestal nauwelijks meer geluid dan tijdens de avond- en nachtperiode. Als uit de vergunningaanvraag blijkt dat buiten de gewone werktijden geen relevante geluidsproductie plaatsvindt, kunnen geluidsvoorschriften voor deze etmaalperiodes achterwege blijven. Dit motiveert het bevoegd gezag in de considerans. Het is belangrijk om aandacht te schenken aan bedrijfsinstallaties (koeling, verwarming) die buiten de gewone bedrijfstijden werken en aan incidentele werkzaamheden, zoals overwerksituaties.

Middelvoorschriften

Een middelvoorschrift stelt eisen aan (het functioneren) van technische voorzieningen of het gedrag. Dit type voorschrift is doorgaans controleerbaar zonder metingen. Het nadeel van middelvoorschriften is dat de vergunninghouder niet meer zelf bepaalt met welke middelen hij wil voldoen aan de milieudoelstellingen. Dat kan innovatieve oplossingen in de weg staan.

Artikel 5.6, tweede lid Bor biedt de mogelijkheid om met een voorschrift geluidsmetingen, berekeningen of tellingen te eisen. Ook onderzoek eisen naar de mogelijkheden van verdere beperking van de geluidsemissie is mogelijk. Anticiperen op de resultaten van dit onderzoek in de doelvoorschriften is niet toegestaan.

Een voorbeeld van een in het tweede lid van artikel 5.6 bedoeld voorschrift is een opleveringsmeting of –controle. Hierin staat dat éénmalig een geluidsrapport wordt aangeleverd waaruit blijkt dat aan de geluidsvoorschriften wordt voldaan. Het is niet toegestaan om met herhalingsmetingen de vergunninghouder zelf te laten controleren of hij aan de vergunningvoorschriften voldoet. Controle (toezien op naleving) is immers een taak voor het bevoegd gezag. Het voorschrijven van een geluidsmeting kan aan de orde zijn als:

  • opleveringsmeting ter controle van de prognose in de aanvraag
  • een inrichting gefaseerd in bedrijf wordt genomen
  • meerdere maatregelen moeten worden getroffen.

Dit moet het bevoegd gezag goed motiveren.

Het moet duidelijk en rechtszeker vastliggen op welk moment het geluidsrapport moet worden geleverd en hoe het moet worden uitgevoerd. Het moment van leveren mag niet direct of indirect afhangen van bijvoorbeeld klachten uit de omgeving, of het optreden van bepaalde incidentele bedrijfssituaties.

Enkele voorbeelden van andere middelvoorschriften zijn:

  • de aanwezigheid van geluidsdempers/suskasten op ventilatoren
  • sluizen bij doorgangen
  • overkappingen van laadperrons
  • het gesloten houden van ramen en deuren tijdens lawaaimakende werkzaamheden
  • verplichte rijroutes
  • het plaatsen van instructiebordjes, etc.

Voorschriften voor gebruik van de openbare weg

Activiteiten op de openbare weg, zoals laden en lossen en stallen van vrachtwagens moet in samenhang met de hele inrichting worden beschouwd. In de vergunning kunnen geluidsvoorschriften voor activiteiten buiten de inrichting opgenomen worden. Dit kan alleen als de gevolgen hiervan voor het milieu aan de inrichting toe te rekenen zijn.

Voorbeelden van gedragsvoorschriften zijn:

  • het uitzetten van de radio bij het laden en lossen
  • een plek aanwijzen waar de laad- en losactiviteiten moeten plaatsvinden
  • alleen laden en lossen in de dagperiode
  • maximale frequentie per dag-, avond- en nachtperiode.

Het bevoegd gezag kan via de APV regels stellen voor het laden en lossen op de openbare weg. In de APV kan men bijvoorbeeld aanwijzen waar de laad- en losactiviteiten plaats moeten vinden of op welke tijden het is toegestaan.

Zie ook:

APV: Laden en lossen buiten de inrichting

Jurisprudentie geluid: Laden en lossen.

AmvB-bedrijven: Geluidvoorschriften voor laden en lossen


Uw onderwerpen

Wetgeving