Luchtvoorschriften voor asfaltmenginstallaties

Deze webpagina geeft een toelichting op de voorschriften voor de activiteit 'Installatie voor de productie van asfalt'. De voorschriften stellen eisen aan stof, VOS, PAK, NOx, SO2 en geur. Voor emissies van andere stoffen naar de lucht geldt afdeling 2.3 lucht en geur van het Activiteitenbesluit als vangnet.

Asfaltmenginstallaties zijn ook stookinstallaties. Voor deze asfaltmenginstallaties geldt alleen het artikel over keuring en onderhoud van §3.2.1 Activiteitenbesluit. Dit blijkt uit artikel 5.45 van het Activiteitenbesluit. Informatie over keuring en onderhoud staat op de webpagina ‘Keuring en onderhoud' van de handleiding kleine en middelgrote stookinstallaties.

Stofemissie

De emissiegrenswaarde voor stof is maximaal:

  • 5 mg/Nm3 bij een grensmassastroom ≥ 200 g/u.
  • 20 mg/Nm3 bij een grensmassastroom < 200 g/u.

De sommatiemethode is van toepassing.

Als het bedrijf de emissies afzuigt en leidt door een doelmatige filtrerende afscheider voldoet het bedrijf aan de emissiegrenswaarde van het Activiteitenbesluit. Voorwaarde is wel dat het bedrijf de filtrerende afscheider:

  • goed laat dimensioneren. Het ontwerp en de dimensie van de techniek zijn geschikt voor de emissie.
  • goed onderhoud
  • periodiek laat controleren
  • schoonmaakt en vervangt zo vaak als nodig is voor de goede werking

De eisen zijn niet van toepassing als de activiteit in de buitenlucht mag plaatsvinden.

Diffuse stofemissie

De diffuse emissies zijn afkomstig van het opslaan en overslaan van de grondstoffen op het terrein van de asfaltcentrale. Stofemissies ontstaan voornamelijk bij opstuivend zand op het moment van laden en lossen en door wind.

Diffuse stofemissies van op- en overslag vallen niet onder de activiteit asfaltmenginstallatie. Of de grondstoffen inert of niet inert zijn bepaalt welke regelgeving geldt. Zie voor meer informatie de webpagina 'Op- en overslag en bewerken stuifgevoelige stoffen'.

Vluchtige organische stoffen (VOS)

De emissiegrenswaarde voor VOS is 200 mg/Nm3 bij een grensmassastroom > 500 g/u. De sommatiemethode is van toepassing.

Er is een direct verband tussen de emissies van vluchtige organische stoffen en de branderafstelling. Bij een juiste afstelling van de branders blijft de koolwaterstofemissies beperkt tot minder dan 200 mg/Nm3. Juist onderhoud en afstelling vindt plaats op basis van de SCIOS-regeling (scope 5). Het bedrijf toont een juiste afstelling van de installatie aan door onderhoudsrapporten gebaseerd op de SCIOS-regeling.

Polycyclisch aromatische koolwaterstoffen (PAK)

De emissiegrenswaarde voor PAK is 0,05 mg/Nm3 bij een grensmassastroom > 0,15 g/u. De sommatiemethode is van toepassing.

Het bedrijf voldoet aan deze emissiegrenswaarde wanneer het bedrijf de acceptatieprocedure voor oud asfalt toepast. Dit houdt in dat het asfalt en asfaltgranulaat voldoet aan de kwaliteitseisen volgens de BRL 9320.

De BRL 9320 verwijst ook naar de CROW-publicatie 'omgaan met vrijkomend asfalt'. Het bedrijf hanteert bij inname van asfaltgranulaat voor hergebruik het acceptatieprotocol op basis van deze CROW-publicatie. Deze publicatie geeft uitgebreid aan wat de verantwoordelijkheden zijn van de diverse betrokken partijen. Hierdoor blijft teerhoudend asfaltgranulaat buiten het hergebruikcircuit.

NOx en SO2

De emissiegrenswaarde van NOx en SO2 is 50 mg/Nm3 bij een grensmassastroom > 2000 g/u. De sommatiemethode is niet van toepassing.

Bij gebruik van aardgas als brandstof is de SO2 emissie niet van belang. Het bedrijf voldoet in dat geval altijd aan de SO2 emissiegrenswaarde.

Overgangsrecht NOx en SO2

Artikel 5.48 van het Activiteitenbesluit bevat overgangsrecht voor NOx en SO2.

Voor installaties die voor 1 januari 2009 in gebruik zijn genomen gelden afwijkende emissiegrenswaarden voor NOx en SO2. Voor zowel NOx als SO2 geldt een emissiegrenswaarde van 75 mg/Nm3 bij een grensmassastroom > 2000 g/u. De sommatiemethode is niet van toepassing.

Geur

Bij de productie van asfalt kan geurhinder optreden. Mogelijke bronnen van geur zijn:

  • de schoorsteen. Afvoer van de procesemissies afkomstig van drogen en verwarmen van mineralen en asfaltgranulaat vindt plaats via de schoorsteen. De afgassen passeren wel eerst een stoffilter. Geuremissie door productie met asfaltgranulaat ligt aanzienlijk hoger dan de geuremissies door de productie met alleen nieuwe grondstoffen.
  • de bitumenopslag. Door de opslag en verlading van bitumen ontstaan adem- en verladingsemissies; deze emissies zijn vooral discontinu van aard;
  • de vrachtwagens en de asfaltvoorraadsilo. Tijdens het beladen van de vrachtwagens ontstaan diffuse emissies;
  • de menger, de ophaalbaan en de overstortpunten. Bij niet omkaste installaties komen deze emissies diffuus en deels op grondniveau vrij.

Bij asfaltmenginstallaties is in het algemeen sprake van een discontinue geuremissie met een tijdsfractie < 0,4.

Asfaltmenginstallaties moeten voldoen aan de geurvoorschriften uit artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. Dit volgt uit artikel 5.46 lid 2 van het Activiteitenbesluit.

Het algemene uitgangspunt is het voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder (lid 1). Het bevoegd gezag beoordeelt welke mate van geurhinder nog aanvaardbaar is. Aspecten die het bevoegd gezag hierbij meeweegt staan in lid 3 van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

De informatie waarover het bevoegd gezag beschikt kan onvoldoende zijn om de beoordeling te kunnen maken. In dat geval kan het bevoegd gezag het bedrijf vragen om een geuronderzoek (lid 2). Bij onaanvaardbare geurhinder kan het bevoegd gezag aanvullende eisen stellen in een maatwerkbesluit (lid 4).

Een uitgebreide toelichting hierop staat op de pagina 'afdeling 2.3 – geurvoorschriften' van de handleiding geur.

Voor de invulling van maatwerk kan het bevoegd gezag de informatie uit de vervallen bijzondere regeling Asfaltmenginstallaties uit de Nederlandse Emissie Richtlijn gebruiken.

Erkende maatregelen

Bij deze activiteit staan er voor stof en PAK erkende maatregelen in de Activiteitenregeling.

Het uitgangspunt is dat het bedrijf met het nemen van de erkende maatregelen uit de Activiteitenregeling voldoet aan de emissiegrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De toezichthouder controleert in dat geval op de aanwezigheid en goede werking van de erkende maatregel.

Heeft het bedrijf de erkende maatregelen niet of onvoldoende uitgevoerd, dan toont het bedrijf aan:

  • dat de emissie de emissiegrenswaarde niet overschrijdt
  • of dat de emissie niet relevant is

Aantonen kan bijvoorbeeld met metingen of berekeningen. De aantoonplicht volgt uit artikel 2.8 lid 1b van het Activiteitenbesluit. Zie ook de informatie op de pagina Toezicht bij hoofdstuk 3 en 4 activiteiten.

Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid bij maatwerk eisen te stellen aan de controle en onderhoud van de emissiebeperkende techniek of aan de controle van de emissies. Dit volgt uit artikel 2.7 lid 8 en 9 van het Activiteitenbesluit.

Meten

Voor deze activiteit gelden de meetverplichtingen uit artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit. Wel geldt een afwijkend zuurstofpercentage van 17% voor het omrekenen van de emissies. Dit volgt uit artikel 5.46 lid 3 van het Activiteitenbesluit.

De pagina ‘meten’ van de handleiding luchtemissies bij bedrijven geeft een toelichting op de meetvoorschriften van afdeling 2.3 Lucht.


asfaltcentrale

Onderzoek emissies asfaltmenginstallaties 2008

Het onderzoek (pdf, 552 kB) geeft inzicht in de emissieniveaus van stof, SO2, NOx en PAKs van asfaltmenginstallaties.