Lozingsvoorschriften metaalbewerking

Het Activiteitenbesluit bevat in afdeling 4.5 regels over over 'Activiteiten met betrekking tot metaal'. In de paragrafen 1 t/m 11 komen verschillende handelingen met metaal aan de orde. De bedrijfsprocessen zijn zeer divers maar het afvalwater dat bij die verschillende bewerkingen ontstaat vertoont wel grote overeenkomst.  Kenmerkend bij deze activiteiten is dat het afvalwater behalve metalen ook diverse andere verontreinigingen kan bevatten.

metaalbewerking

Vindplaats

De activiteit staat in hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit. Daarom gelden de voorschriften alleen voor type A/B-bedrijven. Ze gelden niet voor type C bedrijven. Een inrichting type B moet deze activiteit vier weken voor de start melden. Een type C moet hiervoor een vergunning aanvragen of een wijziging aanvragen.

Er kan afvalwater vrijkomen bij deze activiteit. Als type-C bedrijven dit willen lozen, moet het bevoegde gezag deze lozing regelen in de omgevingsvergunning. Dit geldt voor lozen op de riolering en op de bodem. Bij een lozing in het oppervlaktewater is een watervergunning nodig.

Verboden en voorwaarden

Metaalbewerkende bedrijven moeten alle nodige maatregelen nemen om emissies van metalen zoveel mogelijk te beperken (artikel 4.72). Daarom moet iedere inrichting, die een metaalbewerking volgens afdeling 4.5 uitvoert, gedragsvoorschriften opstellen.

Bij de volgende activiteiten zijn doelvoorschriften bij lozing in het vuilwaterriool gesteld in artikel 4.73:

  • beitsen en etsen van metalen (§ 4.5.7),
  • elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen (§ 4.5.8),
  • aanbrengen van conversielagen op metalen § 4.5.10) en
  • thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen (§ 4.5.11),
METAALHOUDEND AFVALWATER

Stof

emissiegrenswaarde in milligram per liter

Bij etmaalmonster bij steekmonster

Chroom

0,5

1,5

Chroom VI

0,1

0,3

Koper

0,5

1,5

Lood

0,5

1,5

Nikkel

0,5

1,5

Zilver

0,1

0,3

Tin

2,0

6,0

Zink

0,5

1,5

Vrij cyanide

0,2

0,6

Voor steekmonsters geldt dat de emissiegrenswaarde 3 maal zo hoog mag zijn.

Bij het lozen in het vuilwaterriool van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in het eerste lid bedraagt het gehalte aan vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor niet meer dan 0,1 milligram per liter.

De genoemde lozingsvoorwaarden voor vuilwaterriool gelden voor het gemeentelijk riool maar ook voor een particulier stelsel. Daarbij maakt het niet uit of het particuliere stelsel aansluit op het gemeentelijk riool of direct aansluit op een afvalwaterzuiveringsinstallatie. De lozingsvoorwaarden zijn namelijk bedoelt voor en de bescherming van het milieu, de waterzuivering én het rioolstelsel.

Gedragsvoorschriften, good housekeeping

Artikel 4.72, derde lid, van het Besluit verwijst naar artikel 4.84 van de Regeling. In dit artikel staat dat een bedrijf gedragsvoorschriften moet opstellen. De gedragsvoorschriften moeten bij elk bedrijf beschikbaar zijn voor het personeel als voor het bevoegd gezag. In de gedragsvoorschriften staat concreet aan hoe men:

  • preventieve en procesgeïntegreerde maatregelen neemt om emissies van metalen en hulpstoffen te beperken.
  • controle en onderhoud van installaties pleegt en wanneer, ten minste als die van invloed kunnen zijn op de samenstelling van het afvalwater
  • de oversleep beperkt.
  • de procesgeïntegreerde maatregelen op haalbaarheid heeft onderzocht en toepast.
  • in het bedrijf omgaat met het procesafvalwater
  • het procesafvalwater doelmatig verwerkt.

Bij gebruik moeten van de volgende stoffen bijzondere aandacht krijgen:

  • ethyleendiaminetetra-acetaat(EDTA)
  • chroom VI,
  • cyanide,
  • perfluoroctaansulfonaten en
  • cadmium.
  • het gebruik van kwik is verboden.

Gebruik van milieuvriendelijke (hulp)stoffen

Het is belangrijk dat hulpstoffen worden beoordeeld op het belastend zijn voor het milieu.  De lozing van deze hulpstoffen moet men zoveel mogelijk beperken. Soms zijn deze hulpstoffen Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Afhankelijk van de milieubelasting moet er meer gebeuren om lozing tegen te gaan.

  • Het Activiteitenbesluit stelt dat stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt, niet mogen worden geloosd. Dit geldt onder andere voor ZZS.
  • Stoffen en preparaten met saneringsinspanningen B of C zijn onder voorwaarden loosbaar.

Leveranciers moeten volgens de Europese REACH verordening verplicht bij hun producten (stoffen of mengsels) veiligheidsinformatiebladen met milieu-informatie te leveren. Deze informatie moet duidelijk maken of een stof geloosd mag worden en hoe een stof in de afvalfase verwijderd moet worden (als bedrijfsafval of als gevaarlijk afval). In 2016 is de Algemene Beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten  (ABM) in het kader van de uitvoering van het emissiebeleid water aangepast.

In het activiteitenbesluit is uitgegaan van de ABM indeling van voor 2016. Daarin worden stoffen/preparaten in drie categorieën ingedeeld. Aan elke categorie is een «gewenste saneringsinspanning» (A, B of C) gekoppeld. In de ABM-2016 is categorie A opgedeeld in categorie ZZS en A. De gewenste saneringsinspanning vanuit het activiteitenbesluit wil zeggen:

  • A : in principe niet lozen; zo ja, dan onder strenge voorwaarden en met toepassen van beste bestaande technieken. Dit geldt onder andere voor ZZS.
  • B : lozing minimaliseren; toepassen van best uitvoerbare technieken.
  • C : lozing minimaliseren.

Proces geïntegreerde maatregelen

In de databank milieumaatregelen afvalwater Metalektro staan verschillende proces geintegreerde maatregelen die voldoen aan BBT voor afvalwater.

Oliehoudend water

Voor het lozen van afvalwater afkomstig van de activiteit geldt een norm van 20 milligram olie per liter en 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. Wanneer niet met preventieve maatregelen kan worden voorkomen dat olie in het afvalwater terecht komt, kan een olieafscheider en slibvangput geplaatst worden. Deze moeten voldoen aan NEN-EN 858. Als het afvalwater wordt geleid door een olieafscheider dan geldt niet de norm van 20 milligram olie per liter, maar van 200 milligram per liter. Het afvalwater moet altijd bemonsterd kunnen worden.

Maatwerk

Bij maatwerkvoorschrift heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om bepaalde gedragsaspecten verplicht te laten opnemen in de gedragsvoorschriften.

Er is maatwerk mogelijk op de emissiegrenswaarden die genoemd zijn in artikel 4.73. De voorwaarde voor deze mogelijkheid staan in artikel 4.74.

  • Voor bedrijven met een dag vracht tussen 80 en 200 gram van de genoemde metalen per dag, mogen hoger grenswaarden worden gesteld maar niet hoger dan de waarden in kolom B.
  • Voor kleine lozers, met een dag vracht kleiner dan 80 gram metalen, gelden met name dat procesgeïntegreerde maatregelen moeten worden getroffen en de gedragsregels regels moeten zijn opgesteld.  Emissiegrenswaarden mogen verhoogd worden als het gehalte aan metalen maar niet boven de 15 milligram per liter komt in een etmaalmonster of 45 milligram per liter in een steekmonster.

Bij het van toepassing worden van het activiteitenbesluit op de metaalhoudende activiteiten is er ook maatwerk mogelijk op de emissiegrenswaarden die genoemd zijn in artikel 4.73 doordat;

  • deze waarden al in een WVO vergunning of in een omgevingsvergunning waren toegestaan of,
  • als het bedrijf kan aantonen dat er ondanks het toepassen van maatregelen en gedragsvoorschriften niet voldaan kan worden aan de gestelde emissiegrenswaarden.

Lozingsnormen voor afvalwater gelden op moment dat afvalwater vrijkomt.  Verdunnen van afvalwater is in strijd met een algemeen beginsel van de Wet milieubeheer artikel 10.29a : het beperken van het gebruik van grondstoffen (in dit geval water).

Voor het verlenen van vergunningen is een instructieregel hiervoor opgenomen in artikel 5.5 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (BOR).

In de lozingenbesluiten is het verbod tot verdunnen opgenomen in artikel 2.2a van het activiteitenbesluit of 2.3 Besluit lozen buiten inrichtingen. Uit oogpunt van doelmatigheid kan dit aangepast worden, bijvoorbeeld omdat het afvalwater door eenzelfde zuiveringsvoorziening kan worden geleid.

Als een bedrijf een lozingsnorm overschrijdt dan  moet dat bedrijf het productieproces aanpassen of het afvalwater (voor)zuiveren voor een lozing.

Voor deze activiteit heeft men alleen de lozing op het vuilwaterriool geregeld. Voor lozingen in de bodem of in een hemelwaterriool moeten initiatiefnemers een maatwerkvoorschrift op basis van Artikel 2.2 Activiteitenbesluit aanvragen.

Voor een lozing in oppervlaktewater is een Waterwetvergunning nodig. De waterkwaliteitsbeheerder is in dat geval bevoegd gezag. Afhankelijk van de keur kan dit met een reguliere vergunning (korte procedure volgens de Algemene wet bestuursrecht).

Controleaspecten

  1. Er zijn instructies en gedragsvoorschriften door het bedrijf opgesteld overeenkomstig de criteria die in de Regeling in art. 4.84 zijn voorgeschreven (en eventuele maatwerkvoorschriften).
  2. Aan de maatregelen conform het gedragsvoorschrift wordt voldaan. Check de instructie (gedragsvoorschrift) en vraag desnoods naar de bekendheid onder het personeel.
  3. Controle van afvalwater met andere verontreinigingen (naast olie)

Olie-afscheider en slibvangput aanwezig?

In het handboek water is alle informatie over olie-afscheider en slibvangput te vinden. Daar vind u ook informatie over controle aspecten, monstername en informatie over capaciteitsberekeningen en achtergrond informatie over olie-afscheiders en slibvangputten.

Nadere informatie

Via de volgende link komt u bij een aantal foto's van een inspectiebezoek bij een metaalbewerkingsbedrijf.


Uw onderwerpen