Veiligheidsvoorschriften voor het afleveren van brandstof aan vaartuigen

Op de pagina staat een overzicht van de vindplaats en reden van vergunningplicht voor het afleveren van brandstoffen.

Op deze pagina staat veiligheidsinformatie over het afleveren van vloeibare brandstof aan vaartuigen (paragraaf 4.6.3 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 4.6.2 van de Activiteitenregeling).

Informatie over de eisen voor bodembeschermende voorziening staan op de pagina Afleveren brandstoffen onder Bodem en ondergrond.

De voorschriften gelden voor drijvende installaties (bunkerstations) en op de wal geplaatste vaste afleverinstallaties.

De meeste schepen varen op diesel, maar er zijn schepen (vooral pleziervaartuigen) die benzine gebruiken. Voor de veiligheid van de afleverinstallaties is de aanwezigheid van benzine (lichte olie) sterk bepalend. Uit risicoberekeningen blijkt dat diesel zelfstandig lastig ontbrandt, maar door de combinatie zelfs met kleine hoeveelheden benzine sneller ontbrandt.

Bunkerstations groter dan 25 m3 zijn vergunningplichtig als (ook) benzine wordt opgeslagen. Voor deze situaties is het berekenen van het risico nodig.

rechtenvrij_-_vaartuig_brandstof

Binnenvaartregelgeving

Bunkerstations (drijvende installaties)

Voor bunkerstations geldt ook de binnenvaartregelgeving. Volgens binnenvaartregelgeving is opslag van meer dan 15 m3 benzine in een bunkerstation niet toegestaan. Voor bunkerstations is volgens de binnenvaartregelgeving een certificaat van onderzoek verplicht. Dit certificaat toont aan dat de installatie aan de eisen van de Binnenvaartregeling voldoet. De Binnenvaartregeling stelt eisen aan de constructie en het gebruik van de installatie om de veiligheid van de vaarwegen te verzekeren. Is de technische staat van een bunkerstation onvoldoende, dan kan het bevoegd gezag via maatwerkvoorschrift eisen stellen die gelijkwaardig zijn aan bijlage 3.8 van de Binnenvaartregeling.

Afleverinstallatie op de wal

Op een afleverinstallatie voor vaartuigen op de kant geldt de binnenvaartregelgeving niet. Voor op de wal geplaatste afleverinstallaties zijn vergelijkbare eisen nodig. In artikel 4.86 van de Activiteitenregeling zijn daarom de relevante artikelen van de Binnenvaartregeling opgenomen.

Minimumafstand

Met benzine

De meeste schepen varen op diesel, maar er zijn schepen (vooral pleziervaartuigen) die benzine gebruiken. Om die reden hebben bunkerstations voor de pleziervaart naast diesel ook benzine in voorraad.

Voor bunkerstations met benzine opslag geldt een minimumafstand van 20 meter tussen alle zijden van het bunkerstation en kwetsbare objecten en tussen het vulpunt en kwetsbare objecten.

Voor op de wal geplaatste vaste afleverinstallaties met benzine opslag, geldt een minimumafstand van 20 meter tussen het afleverpunt en kwetsbare objecten en tussen het vulpunt en kwetsbare objecten (artikel 4.77 Activiteitenbesluit). Binnen deze minimumafstanden is recreatief verblijf door derden verboden. Dit om het risico op en het effect van een plasbrand te beperken. Het is verstandig om een jachthaven zo in te richten dat bezoekers alleen in de buurt komen van het bunkerstation om te bunkeren.

De afstanden gelden niet als het bunkerstation of afleverinstallatie is geïnstalleerd voor 1 januari 2011. Het bevoegd gezag kan in deze gevallen wel via maatwerkvoorschriften eisen stellen aan de locatie.

Zonder benzine

Bunkerstations voor de beroepsvaart slaan alleen diesel op. Bij een bunkerstation zonder benzine opslag geldt een afstand van 20 meter tot kwetsbare objecten als het bunkerstation aan een doorgaande vaarroute is gelegen. Omdat het risico van aanvaring bepalend is voor de veiligheid, geldt de veiligheidsafstand alleen vanaf de vaarwegkant van het station. De situatie van bunkeren aan de andere kant is daarmee niet gedekt, maar dit komt in de praktijk niet voor. Als die situatie zich toch voordoet, kan het bevoegd gezag via maatwerkvoorschrift eisen stellen volgens de zorgplicht.

Kwetsbaar object

De definitie kwetsbare objecten verwijst naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Samengevat gaat het om woningen, gebouwen voor verblijf van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, gebouwen met grote aantallen mensen en kampeer- en recreatieterreinen met meer dan 50 plaatsen.

Afleveren onder toezicht

Tijdens het afleveren van brandstof aan vaartuigen is er altijd direct toezicht van deskundig personeel. Zelf tanken onder toezicht mag ook. Deskundig personeel is op de hoogte van de gevaarlijke eigenschappen van de brandstoffen en de aanwezigheid en wijze van gebruik van absorptie- en hulpmiddelen. Deskundig personeel kan direct ingrijpen bij morsen en incidenten.

Eisen PGS 28

Een bunkerstation en een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie voldoen aan de in artikel 4.86 of 4.86a van de Activiteitenregeling opgenomen voorschriften van de PGS 28: Vloeibare brandstoffen - Ondergrondse tankinstallaties en afleverinstallaties. In deze voorschriften wordt 'vaartuig' in plaats van 'voertuig' gelezen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om:

  • de afstand van een aflevertoestel tot de riolering en laag gelegen ruimten
  • aflevertoestel met temperatuurgevoelig element
  • instructies voor veilig afleveren
  • de elektrische installatie van een aflevertoestel
  • brandveiligheid: brandblusser bij aflevertoestel, en rook- en open vuur verbod

Voor een bunkerstation met een certificaat volgens artikel 6 van het Binnenvaartbesluit gelden deze eisen niet.

Beperking afleveren schepen met gevaarlijke stoffen

Schepen met gevaarlijke stoffen zijn herkenbaar aan de blauwe kegels die de schepen als veiligheidsteken moeten voeren (kegelschepen). Volgens het ADNR en het Rijnvaartpolitiereglement 1995 mogen deze kegelschepen niet in de buurt van andere schepen afmeren. Twee- en driekegelschepen mogen niet afmeren bij een bunkerstation. Bij een bunkerstation dat benzine opslaat en aflevert mag een kegelschip niet bunkeren. Bunkeren met leurboten buiten de inrichting mag wel.

Afleverinstallatie beschermd tegen aanrijden en aanvaren

Een afleverinstallatie en het vulpunt op de wal zijn beschermd tegen aanrijdingen door bijvoorbeeld parkerende voertuigen of door laad- en loswerkzaamheden. De bereikbaarheid voor vaartuigen is geborgd en het aanvaringsrisico is zo klein mogelijk.

Noodplan

Op verzoek van het bevoegd gezag stelt de houder van de inrichting een noodplan op. De opslagcapaciteit, de aard van de opgeslagen producten en de aard van het bedrijf kunnen hiervoor aanleiding zijn.

Het noodplan bevat informatie over:

  • stoppen van lekkage
  • onder controle krijgen van brand
  • inschakelen van de brandweer
  • alarmeren van personen
  • inschakelen van hulpdiensten
  • informeren van omwonenden en bevoegd gezag

Bijzonder aandachtspunt in het noodplan heeft het weer. Bij een aantal bunkerstations is bij lekkage vooral de windkracht en windrichting bepalend voor de risico's voor in de omgeving gelegen kwetsbare objecten.

Vloeistofdichte voorziening

Vaste afleverinstallatie op de wal moet zijn geplaatst boven een lekbak of vloeistofdichte vloer of verharding.


Uw onderwerpen