Richtlijn 2004/107

Richtlijn 2008/50

Beoordeling van de luchtkwaliteit

De beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit vinden plaats op het niveau van door de lidstaten aan te wijzen ‘zones' en ‘agglomeraties' (verstedelijkte zones) (art. 4). Met betrekking tot zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide geldt een lichter beoordelingsregime naarmate de luchtkwaliteit in een zone of agglomeratie beter is: onder bepaalde voorwaarden kan er dan worden volstaan met een combinatie van meting en modellering of met modellering of objectieve ramingen in plaats van vaste metingen van de luchtkwaliteit (art. 5 en 6). Voor het meten van achtergrondconcentraties van PM2,5 gelden daarnaast enkele afzonderlijke eisen (art. 6, lid 5). De Richtlijn bevat tevens voorschriften voor de bemonsteringspunten en de toe te passen meetmethoden voor de genoemde stoffen (art. 7 en 8).

Voor ozon gelden aparte regels aangaande de beoordelingscriteria, bemonsteringspunten en meetmethoden (art. 9 t/m 11). Daarbij moet ook aandacht worden besteed aan de ozonprecursoren (NOx en VOS).

Beheer van de luchtkwaliteit (art. 12 t/m 22; Bijlagen VII en XI t/m XIV)

Tabel 1 bevat de belangrijkste in de Richtlijn opgenomen luchtkwaliteitsnormen. Het betreft:

  • grenswaarden en blootstellingsconcentratieverplichtingen voor de bescherming van de menselijke gezondheid. De lidstaten moeten zorgen dat deze ­waarden binnen een bepaalde termijn worden bereikt en na het bereiken ervan niet meer worden overschreden;
  • kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie, welke moeten worden ‘nageleefd';
  • informatie- en alarmdrempels: overschrijding hiervan houdt gezondheidsrisico's in voor bepaalde kwetsbare groepen resp. voor de gehele blootgestelde bevolking en noodzaakt tot informatievoorziening resp. het nemen van onmiddellijke maatregelen;
  • streefwaarden en langetermijndoelstellingen: de lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen die geen buitensporige kosten meebrengen om ervoor te zorgen dat deze binnen een bepaalde periode worden bereikt.

Tabel 1 Belangrijkste luchtkwaliteitsnormen van Richtlijn 2008/50

(NB: bepalingen die uitsluitend betrekking hebben op de periode vóór 2010 zijn niet vermeld.)

Zwaveldioxide (SO2­)

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Grenswaarden (ter bescherming van de menselijke gezondheid)

1 uur

350 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 24 keer per kalenderjaar worden overschreden, met maximaal 150 µg/m3.

1 dag

125 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 3 keer per kalenderjaar worden overschreden.

Kritiek niveau (voor bescherming van de vegetatie)

kalenderjaar en winter­seizoen (1/10 t/m 31/3)

20 µg/m3

Alarmdrempel

3 opeenvolgende uren

500 µg/m3

Stikstofdioxide (NO2)

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Grenswaarden (ter bescherming van de menselijke gezondheid)

1 uur

200 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 18 keer per kalenderjaar worden overschreden. Uitstel mogelijk tot uiterlijk 1 januari 2015, mits een adequaat lucht­kwaliteitsplan wordt opgesteld.

kalenderjaar

40 µg/m3

Uitstel mogelijk tot uiterlijk 1 januari 2015, mits een adequaat lucht­kwaliteitsplan wordt opgesteld.

Kritiek niveau (voor bescherming van de vegetatie)

kalenderjaar

30 µg/m3

Betreft NOx.

Alarmdrempel

3 opeenvolgende uren

400 µg/m3

Benzeen

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Grenswaarde

kalenderjaar

5 µg/m3

Uitstel mogelijk tot uiterlijk 1 januari 2015, mits een adequaat lucht­kwaliteitsplan wordt opgesteld.

Koolmonoxide (CO)

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Grenswaarde

hoogste 8-uur­gemiddelde van een dag

10 mg/m3

Lood

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Grenswaarde

kalenderjaar

0,5 µg/m3

PM10

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Grenswaarde

1 dag

50 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 35 keer per kalenderjaar worden overschreden. Vrijstelling mogelijk tot uiterlijk 11 juni 2011 wegens locatiespecifieke dispersie­karakteristieken, ongunstige klimaat­omstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen.

Grenswaarde

kalenderjaar

40 µg/m3

Vrijstelling mogelijk tot uiterlijk 11 juni 2011 wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaat­omstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen.

PM2,5

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Grenswaarde

kalenderjaar

25 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2015; tot die tijd verhoogd met een plandrempel van 20% die terugloopt tot 0% per 1 januari 2015.

Grenswaarde

kalenderjaar

20 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2020. Waarde is indicatief en wordt in 2013 door de Commissie herzien (art. 32).

Nationale streefwaarde

Gemiddelde blootstellings-index (GBI, voort­schrij­dend gemiddelde van 3 jaar­gemid­delden van de stedelijke achter­gronds-concentratie)

8,5 - 18 µg/m3,afhankelijk van uitgangssituatie

Als de GBI lager is dan 8,5 µg/m3 wordt de streefwaarde 0.

Blootstellings­concentratie­verplichting

20 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2015.

Streefwaarde

kalenderjaar

25 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2010.

Ozon

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Streefwaarde (menselijke gezondheid)

Hoogste 8-uur­gemiddelde van een dag

120 µg/m3

De streefwaarde mag, gemiddeld over drie jaar, niet vaker dan 25 dagen per kalender­jaar worden overschreden.

Streefwaarde (bescherming vegetatie)

Mei tot en met juli

18.000 µg/m3 · u als AOT40

AOT40 is het gesommeerde verschil tussen de (overdag gemeten) uurconcentraties boven 80 µg/m3 en 80 µg/m3 . De streefwaarde betreft het gemiddelde over een periode van 5 jaar.

Langetermijn­doelstelling (menselijke gezondheid)

Hoogste 8-uur­gemiddelde van een dag

120 µg/m3

Langetermijn­doelstelling (vegetatie)

Mei tot en met juli

6000 µg/m3 · u als AOT40

AOT40 is het gesommeerde verschil tussen de (overdag gemeten) uurconcentraties boven 80 µg/m3 en 80 µg/m3

Informatiedrempel

1 uur

180 µg/m3

Alarmdrempel

1 uur (3 opeenvolgende uren)

240 µg/m3

De Bijlagen van de Richtlijn bevatten gedetailleerde voorschriften over de wijze waarop moet worden vastgesteld of aan de kwaliteitsnormen wordt voldaan.

Onder bepaalde voorwaarden worden overschrijdingen die het gevolg zijn van natuurlijke bronnen of van het strooien van zand en zout op wegen in de winter niet als overschrijding aangemerkt. In februari 2011 heeft de Commissie richtsnoeren gepubliceerd voor de wijze waarop de bijdragen van deze bronnen bepaald moeten worden (SEC(2011) 207 en SEC(2011) 208).

Plannen (art. 23 t/m 25)

Bij overschrijding van grens- of streefwaarden moeten er binnen 2 jaar luchtkwaliteits­plannen worden vastgesteld (art. 23 en Bijlage XV). As het gaat om een grenswaarde waarvoor de termijn waarop deze bereikt moest worden al verstreken is, dan moet het luchtkwaliteitsplan ‘passende maatregelen' bevatten om de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden.

Als er een risico bestaat dat alarmdrempels zullen worden overschreden, dan moeten de lidstaten kortetermijnactieplannen opstellen om dat risico of de duur van de overschrijding te beperken. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om maatregelen ten aanzien van het verkeer van motorvoertuigen, bouwwerkzaamheden, voor anker liggende schepen, het gebruik van industriële installaties of producten en de verwarming van woningen. In het geval van ozon zijn geen kortetermijnactieplannen nodig als er geen substantiële mogelijkheden zijn om de duur of de ernst van de overschrijding te beperken.

In geval van grensoverschrijdende luchtverontreiniging moeten de betrokken lidstaten samenwerken bij het opstellen en uitvoeren van bovengenoemde plannen en daar ook de Commissie bij betrekken.

Overige bepalingen

De lidstaten moeten zorgen voor informatieverstrekking aan de bevolking en belang­hebbende organisaties (art. 26). Het gaat daarbij ondermeer om de actuele luchtkwaliteit en (dreigende) overschrijdingen van alarm- of informatiedrempels (Bijlage XVI) en om jaarverslagen. Ook aan de Commissie moet een jaarlijkse rapportage worden uitgebracht (art. 27).

Een ‘Comité voor de luchtkwaliteit', bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, kan niet-essentiële onderdelen en bepaalde Bijlagen van de Richtlijn wijzigen. Het Comité is echter niet bevoegd tot het wijzigen van de luchtkwaliteitsnormen en de termijnen waarop deze gerealiseerd moeten zijn (art. 28 en 29).

Richtlijn 2004/107

Deze richtlijn is de enig overgebleven ‘dochterrichtlijn' van de voormalige Kaderrichtlijn luchtkwaliteit. Ze heeft betrekking op arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs). In tegenstelling tot Richtlijn 2008/50 bevat Richtlijn 2004/107 geen grenswaarden, maar alleen streefwaarden (voor kwik is geen streefwaarde opgenomen). De lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen die geen onevenredige kosten meebrengen om ervoor te zorgen dat, vanaf 31 december 2012, de concentraties van deze stoffen de in Tabel 2 genoemde streefwaarden niet overschrijden (art. 3, lid 1, en Bijlage I). De maatregelen moeten met name gericht zijn op de grootste emissiebronnen. In het geval van industriële installaties die onder de IPPC-richtlijn (zie Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC) / Industriële emissies) vallen is dit de toepassing van de ‘beste beschikbare technieken' (BBT) (art. 3, lid 3).

Tabel 2 Streefwaarden voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen

Verontreinigende stof

Streefwaarde (1)

Arseen

6 ng/m3

Cadmium

5 ng/m3

Nikkel

20 ng/m3

Benzo(a)pyreen (2)

1 ng/m3

(1) Voor het totale gehalte in de PM10-fractie, gemiddeld over een kalenderjaar.

(2) Gebruikt als ‘marker' voor het carcinogene risico van PAKs in de lucht.

De richtlijn bevat gedetailleerde voorschriften voor de wijze waarop meting van de desbetreffende stoffen moet plaatsvinden (art. 4 en Bijlagen II t/m V). De lidstaten moeten jaarlijks rapporteren aan de Commissie over overschrijdingen van de streefwaarden en over de genomen maatregelen (art. 5). Ook het publiek moet worden geïnformeerd over de stand van zaken betreffende de luchtverontreiniging door arseen, cadmium, nikkel en PAKs (art. 7).

Voor het einde van 2010 moest de Commissie verslag uitbrengen over de toepassing van de richtlijn, mede in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Daarbij kon zij ook voorstellen tot wijziging van de richtlijn doen (art. 8).


Uw onderwerpen