Structuurvisie en m.e.r.

Iedere gemeente is verplicht om voor haar gehele grondgebied één of meer structuurvisies op te stellen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het is ook mogelijk naast de verplichte structuurvisie een deelstructuurvisie vast te stellen als nadere concretisering van een project of een sectorale structuurvisie, zoals bijvoorbeeld een waterstructuurvisie.

De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De samenhang met andere sectoren van beleid (economie, recreatie en dergelijke) wordt duidelijk gemaakt. De structuurvisie is geen vrijblijvende visie en moet een zekere realiteitswaarde hebben. Er moet aangegeven worden hoe de voorgenomen ontwikkelingen kunnen worden verwezenlijkt. De structuurvisie is alleen bindend voor de opsteller.

De geografische begrenzing (schaalgrootte), de complexiteit en het doel (consolideren of ontwikkelen) van structuurvisies kunnen erg uiteenlopen. Dit heeft zijn invloed op de inhoud en vorm van het milieueffectrapport.

M.e.r.-plicht

Een m.e.r.-plicht bij een structuurvisie kan op basis van twee gronden ontstaan:

  1. op basis van het Besluit Milieueffectrapportage
  2. er is een passende beoordeling nodig

Ad 1. Bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage bevatten in kolom 1 activiteiten waarbij van m.e.r.-plicht sprake kan zijn boven een bepaalde drempel. Er is sprake van een m.e.r.-plicht, wanneer een plan dat staat in kolom 3 kaderstellende besluiten bevat voor de m.e.r.-plichtige of een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Voor de meeste activiteiten en de daarbij behorende gevallen uit de onderdelen C en D van het Besluit mer staat de structuurvisie in kolom 3 waardoor de structuurvisie in die gevallen (plan)merplichtig is. Uitzonderingen daarop zijn o.a. categorie 7: de aanleg van een militair oefenterrein en categorie 18.1 de vaststelling van het beleid inzake het beheer van afvalstoffen. Voor meer informatie zie Besluit Milieueffectrapportage.
Ad 2. Op grond van art. 7.2a lid 1 Wm is een structuurvisie waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt m.e.r.-plichtig. Voor meer informatie zie Passende beoordeling.

Procedurele verplichtingen

De Wro legt voor de vaststelling van een structuurvisie geen procedurele verplichtingen op. Op basis van § 7.4 en § 7.5 Wm worden aan de voorbereidingsprocedure van een merplichtige structuurvisie wel procedurele verplichtingen opgelegd. Zo moet bijvoorbeeld op basis van art. 7.11 Wm een ontwerp van de structuurvisie ter inzage worden gelegd.

Tabel 1 Vergelijking procedure voor vaststelling structuurvisie zonder en met m.e.r.-plicht

Structuurvisie zonder MER

Structuurvisie met planMER

Kennisgeving voornemen tot voorbereiding van een plan is verplicht (art. 1.3.1 Bro). Terinzagelegging van stukken en zienswijze is niet verplicht.

Kennisgeving voornemen tot voorbereiding van een plan (art. 7.9 Wm), terinzagelegging en zienswijze wel verplicht. Aangeven wie zienswijzen kunnen indienen, op welke wijze en binnen welke termijn. Ook aangeven of Commissie voor de m.e.r. advies over voornemen wordt gevraagd, dat er een ontwerp structuurvisie ter inzage zal worden gelegd en of er sprake is van een plan met een activiteit die plaatsvindt in de ecologische hoofdstructuur.

Raadplegen adviseurs en bestuursorganen over reikwijdte en detailniveau van te maken MER (art. 7.8 Wm).

Opstellen structuurvisie.
Aangeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken (art. 2.1.1 Bro).

Opstellen structuurvisie en MER
Aangeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken (art. 2.1.1 Bro).

Terinzagelegging van ontwerp structuurvisie en planMER. Mogelijkheid voor zienswijze voor een ieder m.b.t. ontwerp structuurvisie en MER (art. 7.11 Wm).

Advies van Commissie voor de m.e.r. over het MER (art. 7.12 Wm). Hiervoor zelfde termijn als zienswijze.

Vaststellen structuurvisie

Verwerken zienswijzen en vaststellen structuurvisie

Op basis van de Wro is de inhoud van de structuurvisie niet aan veel regels gebonden. Voor gebiedsgerichte structuurvisies geldt dat deze de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied, alsmede de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid bevat. Voor een aspectgerichte structuurvisie geldt dat deze de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van die aspecten bevat. In beide gevallen moet de structuurvisie ingaan op de wijze waarop de raad zich voorstelt hoe de voorgenomen ontwikkeling verwezenlijkt wordt.

Inhoud MERrapport

Op basis van de merregelgeving zijn voor een merplichtige structuurvisie geen extra verplichtingen wat betreft de inhoud opgenomen. Wel zijn er in art. 7.7 Wm minimale eisen opgenomen waaraan het milieueffectrapport, dat naast de structuurvisie wordt opgesteld, moet voldoen. Zie hiervoor tabel 2. De uiteindelijke reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectraport zal natuurlijk wel in lijn moeten liggen met de inhoud van de structuurvisie. Het milieueffectrapport geeft immers inzicht in de gevolgen voor het milieu voor de keuzen die in de structuurvisie voor een gebied of een specifiek aspect worden gemaakt.

Tabel 2 Algemene eisen aan een MER dat betrekking heeft op een plan

Minimale inhoud van een planMER (art. 7.7 Wm)

a.

Beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd.

b.

Beschrijving van de voorgenomen activiteit en de alternatieven die redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen en de motivering voor de keuze van de alternatieven.

c.

Overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven.

d.

Een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, en de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien de activiteit noch de alternatieven worden ondernomen.

e.

Een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de activiteit, of de beschreven alternatieven kunnen hebben, en een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven.

f.

Een vergelijking van de te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en met de beschreven mogelijke gevolgen van de alternatieven.

g.

Een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen.

h.

Een overzicht van de leemten in de beschrijvingen van de bestaande toestand van het milieu en de gevolgen voor het milieu en ten gevolge van het ontbreken van benodigde gegevens.

i.

Een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport.

Uit de tabel blijkt dat de minimale inhoud van het planMER grote overeenkomsten vertoont met de praktische inhoud van de structuurvisie. Met betrekking tot het MER worden aanvullende voorwaarden gesteld aan het onderzoeken van alternatieven (b, d, e), het vergelijken van alternatieven (f) en een soort gevoeligheidsanalyse van de inhoud van het MER (h).

NB. Een merplichtige structuurvisie (voor een bepaald gebied of voor een specifiek aspect) wordt in het algemeen gevolgd door een merplichtig bestemmingsplan. Hoewel de procedures van beide instrumenten niet aan elkaar gekoppeld zijn, kan daar bij het opstellen van het merrapport wel rekening mee gehouden worden. Door bijvoorbeeld een groter detailniveau in de MER voor de structuurvisie te onderzoeken kan het MER mogelijk ook in de merprocedure voor het bestemmingsplan gebruikt worden.