Gevolgen per type inrichting met windturbines

De wettelijke systematiek van milieuregels

Het Activiteitenbesluit kent 3 typen inrichtingen: A, B en C. Windturbines of windturbineparken zijn altijd een inrichting type B of een inrichting type C.

Inrichtingen type B moeten een melding doen. Vanaf 3 of meer windturbines is een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig.

Inrichtingen type C hebben een omgevingsvergunning milieu nodig.

Of een inrichting type B of C is, is voor windturbineparken afhankelijk van de hoeveelheid windturbines. Of de uitkomst van de mer-beoordeling (mer staat voor milieueffectrapportage).

Een inrichting kan ook een inrichting type C worden om een andere reden dan windturbines.

Te onderscheiden situaties met windturbines

Na deze korte toelichting volgt een uitgebreide beschrijving per situatie.

Inrichtingen met 1 of 2 windturbines zijn een inrichting type B

Deze inrichtingen hoeven alleen een melding Activiteitenbesluit te doen. Dit zijn inrichtingen waarvoor geen project-mer(-beoordeling) nodig is. Hierna: inrichtingen type B (melding).

Windturbineparken waarvoor als inrichting type B een OBM nodig is

Dit zijn inrichtingen, bestaande uit 3 tot 19 windturbines, waarvoor een mer-beoordeling nodig is. En waarbij de uitkomst is dat geen project-mer hoeft te worden gemaakt. Hierna: inrichtingen type B (OBM). Zie ook OBM-overzicht windturbineparken.

Windturbineparken waarvoor als inrichting type C een omgevingsvergunning milieu nodig is

Deze vergunning is verplicht, omdat daarvoor een project-mer moet worden gemaakt. De project-mer is nodig omdat dit in de geldende regelgeving is bepaald (20 of meer windturbines). Of omdat dit de uitkomst is van een mer-beoordeling (3 tot 19 windturbines). Hierna: inrichtingen type C.

Ruimtelijke inpassing

Naast de windturbinebepalingen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, geldt voor alle windturbines dat het oprichten en exploiteren ervan planologisch wel toegestaan moet zijn. Dit moet dan blijken uit een ruimtelijk plan (meestal bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening). Of uit een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan. Zie Ruimtelijke inpassing.

Inrichtingen type B (melding) – nieuw en bestaand

Voor inrichtingen type B (melding) verandert er niets door de uitspraak. De uitspraak gaat alleen over windturbineparken met 3 of meer windturbines. Voor deze inrichtingen blijven de windturbinebepalingen van kracht. Net als de andere onderdelen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, zoals dat ook het geval was voor 30 juni 2021.

Zie in dit verband overweging 18.1 van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021: Van algehele onverbindendheid van de betrokken bepalingen kan geen sprake zijn, omdat deze bepalingen ook van toepassing zijn op windturbineprojecten die niet vallen onder bijlage II van de Mer-richtlijn onder i van punt 3, waarnaar artikel 3, tweede lid, onder a, van de SMB-richtlijn verwijst. In punt 3 gaat het namelijk om windturbineparken en niet alle windturbineprojecten zijn windturbineparken.

Inrichtingen type B (OBM) - nieuw

Voor inrichtingen type B (OBM) gelden de windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling door de uitspraak niet meer.

Het niet meer gelden van de windturbinebepalingen voor inrichtingen type B (OBM), betekent niet dat voor het exploiteren van deze inrichtingen een omgevingsvergunning milieu nodig wordt.

Door de uitspraak kan bij het verlenen van een nieuwe OBM voor een inrichting type B (OBM) niet meer worden uitgegaan van de veronderstelling dat het windturbinepark zich heeft te houden aan de windturbinebepalingen. De windturbinebepalingen van Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gelden namelijk niet meer.

Door voorschriften in de OBM is regulering van milieuhinder mogelijk. Maar de mogelijkheden zijn beperkt. Aan een nieuwe OBM kunnen volgens de Wet milieubeheer voorschriften worden verbonden die verplichten tot het uitvoeren van maatregelen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vermijden of voorkomen. Maar dat kan alleen als de initiatiefnemer die maatregelen opneemt in de mededeling over de mer-beoordeling aan het bevoegd gezag. Zie artikel 7.20a, eerste lid, in samenhang met artikel 7.16, vierde lid, Wm.

Zorgplicht, maatwerk en handhaving op zorgplicht

Zorgplicht

Voor inrichtingen type B (OBM) blijft wel de algemene zorgplicht van artikel 2.1 Activiteitenbesluit gelden. Deze zorgplicht richt zich rechtstreeks tot exploitanten van inrichtingen. Uit deze zorgplicht vloeit voort dat de exploitant van de inrichting moet weten of er nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. En dat hij moet doen wat hij kan om die gevolgen te voorkomen of te beperken.

Maatwerk

Het bevoegd gezag kan de zorgplicht concreter maken door het stellen van maatwerkvoorschriften, volgens artikel 2.1, vierde lid, Activiteitenbesluit. Een maatwerkvoorschrift kan ambtshalve vastgesteld worden of op aanvraag. Bij het stellen van deze maatwerkvoorschriften, moet het bevoegd gezag zich volgens de uitspraak baseren op een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering.

De ervaringen met milieubescherming tot nu toe en de daaraan ten grondslag liggende inzichten onder het Activiteitenbesluit is daarbij 1 van de elementen die inzicht kan bieden in de wijze waarop voorschriften kunnen worden gemotiveerd. Maar daarmee kan niet worden volstaan.

Handhaving op basis van de zorgplicht

Het bevoegd gezag kan direct handhavend optreden volgens de zorgplicht van artikel 2.1 Activiteitenbesluit. De zorgplicht van het Activiteitenbesluit richt zich tot de exploitant. Doordat de windturbinebepalingen bij inrichtingen type B (OBM) niet meer gelden, zal de exploitant moeten nagaan hoe nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden voorkomen of beperkt.

Als de exploitant dat niet doet, kan tegen hem handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden volgens de zorgplicht, is volgens de Afdeling mogelijk (zie ABRvS, 10-08-2011, nr. 201012817/1/M1). Of nadelige milieugevolgen niet voldoende worden voorkomen, en of redelijkerwijs kan worden gevergd dat deze gevolgen worden voorkomen, is afhankelijk van de gekozen weging van alle relevante factoren in de specifieke omstandigheden van het geval.

Het bevoegd gezag kan aan deze webpagina's argumenten ontlenen om op basis van de zorgplicht over te gaan tot handhaving. Exploitanten kunnen met deze informatie inschatten wat ze moeten doen om volgens de zorgplicht te handelen.

Inrichtingen type B (OBM) - bestaand

Bestaande onherroepelijke OBM-vergunningen voor inrichtingen type B (OBM) blijven geldig. Het is niet mogelijk om hieraan alsnog voorschriften te verbinden.

Aan een OBM kunnen voorschriften worden verbonden die verplichten tot het uitvoeren van maatregelen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen vermijden of voorkomen. Maar deze maatregelen moet de initiatiefnemer wel opnemen in de mededeling over de mer-beoordeling aan het bevoegd gezag.

Zorgplicht, maatwerk en handhaving op zorgplicht

Voor een inrichting type B (OBM) - bestaand geldt hier hetzelfde als voor type B (OBM) - nieuw.

Inrichtingen type C - nieuw

Door de uitspraak kan het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor een inrichting type C niet meer uitgaan van de windturbinebepalingen. De windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gelden namelijk niet meer.

Voor nieuwe omgevingsvergunningen milieu moeten daarom bij vergunningverlening al direct voorschriften worden opgenomen die de hinder beperken (zie artikel 2.22, lid 2, Wabo). De normen moeten worden voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering, zo blijkt uit de uitspraak.

Inrichtingen type C - bestaand

Voor bestaande windturbineparken gelden de windturbinebepalingen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet meer. Bestaande onherroepelijke vergunningen voor inrichtingen type C blijven wel geldig.

Omdat de windturbinebepalingen voor inrichtingen type C niet meer gelden, kan voor inrichtingen type C, anders dan voor inrichtingen type B (OBM), niet worden teruggevallen op de zorgplicht van artikel 2.1 Abm. Door artikel 2 Activiteitenbesluit geldt de zorgplicht voor inrichtingen type C namelijk alleen als er ook voorschriften uit hoofdstuk 3 gelden. Dat is na de uitspraak van de Afdeling niet meer het geval.

Bestaande omgevingsvergunningen milieu kunnen met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, onder b, Wabo, worden gewijzigd door voorschriften aan de vergunning toe te voegen. Toen de windturbinebepalingen nog golden, was dit niet nodig. Ook was het niet mogelijk om voorschriften in de omgevingsvergunning milieu op te nemen om hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Daar voorzagen de windturbinebepalingen namelijk al in.

Nu de windturbinebepalingen voor inrichtingen type C niet meer gelden, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu wijzigen door alsnog voorschriften aan deze vergunning te verbinden. En zo de hinder van het windturbinepark tot een aanvaardbaar niveau beperkt te houden. Deze vergunningvoorschriften vervangen dan dus de windturbinebepalingen die als gevolg van de uitspraak voor deze inrichtingen niet meer gelden.

De vergunningvoorschriften die door het bevoegd gezag aan een vergunning worden verbonden, moeten een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering hebben.

Hinderbeperking in het ruimtelijke spoor

Een andere pagina bespreekt de gevolgen van de uitspraak voor ruimtelijke inpassing.

Informatie per milieuthema

Lees verder over de inhoudelijke invulling van bestemmingsplan, omgevingsvergunning of maatwerkbesluit: