Situaties met windturbines op land toegelicht

Windturbines of windturbineparken zijn altijd een 'inrichting' type B of een inrichting type C. Deze pagina beschrijft vooral de systematiek van de huidige milieuregelgeving, dit wordt anders onder de Omgevingswet.

De systematiek van de Rijksmilieuregels voor milieu

Het Activiteitenbesluit kent 3 typen inrichtingen: A, B en C. Alle situaties met windturbines vanaf een rotordiameter van 2 m zijn inrichtingen (Besluit omgevingsrecht bijlage I, onderdeel C categorie 20) en zijn altijd type B of type C:

Of een inrichting met windturbines type B of C is, is voor windturbineparken afhankelijk van de hoeveelheid windturbines. En daarnaast van de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling (m.e.r. staat voor de procedure van de milieueffectrapportage). Een inrichting kan overigens ook vergunningplichtig type C worden om een andere reden dan windturbines.

Inrichtingen type B met 1 of 2 windturbines

Voor deze inrichtingen verandert er niets door de Raad van State-uitspraak.

Deze inrichtingen hoeven alleen een melding Activiteitenbesluit te doen. Voor de wetgever zijn het geen windturbineparken (zoals gedefinieerd in Besluit milieueffectrapportage (MER), zie ook Interpretation of definitions of project categories of annex I en II of the EIA Directive).

Voor deze inrichtingen is ook geen  m.e.r.(-beoordeling) nodig.  De uitspraak gaat alleen over situaties met 3 of meer windturbines. De voor MER relevante Europese 'SMB-richtlijn' geldt namelijk alleen voor windturbineparken en niet voor 1 of 2 losse windturbines.

Zie in dit verband overweging 18.1 van de uitspraak van de Raad van State van 30 juni 2021: Van algehele onverbindendheid van de betrokken bepalingen kan geen sprake zijn, omdat deze bepalingen ook van toepassing zijn op windturbineprojecten die niet vallen onder bijlage II van de Mer-richtlijn onder i van punt 3, waarnaar artikel 3, lid 2, onder a van de SMB-richtlijn verwijst. In punt 3 gaat het namelijk om windturbineparken en niet alle windturbineprojecten zijn windturbineparken.

Inrichtingen met 3-19 windturbines zonder MER-plicht

Dit zijn windturbineparken, bestaande uit 3 tot  en met 19 windturbines, waarvoor een m.e.r.-beoordeling nodig is. En waarbij de uitkomst is dat geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden gemaakt. Het zijn type B inrichtingen met OBM. Zie ook OBM-overzicht windturbineparken en OBM m.e.r procedure.

Inrichtingen met MER-plicht

Een omgevingsvergunning is verplicht vanuit de wetgeving als er een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt (MER-plicht). Dit is altijd het geval bij 20 of meer windturbines. De verplichting tot het maken van een MER kan bij windparken met 3 tot en met 19 windturbines volgen uit  de uitkomst van een m.e.r.-beoordeling (zie OBM m.e.r procedure). In beide gevallen zijn deze inrichtingen vergunningplichtig type C.

Een inrichting kan overigens ook vergunningplichtig type C worden om een andere reden dan windturbines. In dat geval kan ook de combinatie type C met windturbine OBM aan de orde zijn.

Gevolgen van de uitspraak

Lees op een andere pagina over de  gevolgen van de uitspraak van de Raad van de state per type inrichting.

Windturbines onder de Omgevingswet

Algemeen

Onder de Omgevingswet is er geen OBM meer. Alle combinaties vanaf 3 windturbines op land zijn straks vergunningplichtig vanuit hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

De meeste aspecten, inclusief ruimtelijke inpassing, moet het bevoegd gezag lokaal regelen. Ook komt een deel van de Activiteitenbesluit Rijksregels via de 'bruidsschat' van het Invoeringsbesluit (Ib) in het omgevingsplan van de gemeente.

Gevolgen van de uitspraak

Door de Raad van State uitspraak kunnen de regels van het Activiteitenbesluit niet meer worden toegepast. De consequentie is dat dit ook geldt voor de vergelijkbare Rijksregels onder de Omgevingswet. Het Rijk stelt nieuwe regels voor windturbines op voor onder de Omgevingswet. De nieuwe regels treden volgens de voorlopige planning eind 2023 in werking, dus nadat de Omgevingswet inwerking is getreden.

Tot die nieuwe Rijksregels voor windturbines er zijn, is er voor bestaande windparken en losse windturbines een 'overbruggingsregeling' met hetzelfde beschermingsniveau als de eerdere regels. De overbruggingsregeling wijzigt hiertoe de eerdere Bal, Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) en Ib regels. Met bestaand bedoelen we hier zoals de situatie was op 30 juni 2021, de datum van de uitspraak.

De regels voor windturbines in hoofdstuk 4 van het Bal gelden vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet alleen voor situaties met 1 of 2 windturbines (geen park). Ook het bruidsschat deel over windturbines geldt door de overbruggingsregeling alleen voor situaties met 1 of 2 windturbines. En het toepassingsbereik van de instructieregels en beoordelingsregels in het Bkl worden beperkt tot situaties met 1 of 2 windturbines.

Verder regelt de overbruggingsregeling een en ander voor bestaande windparken (meer dan 2 windturbines bij elkaar). Zo komt de inhoud van twee paragrafen met regels voor windturbines uit de ‘bruidsschat’ voor het omgevingsplan in het Bal te staan.

Zie ook