Toestemming "Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden"

Menselijke activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor natuurgebieden. Sommige natuurgebieden worden speciaal beschermd tegen de gevolgen van menselijke activiteiten.

Als u activiteiten wil uitvoeren die nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde natuurgebieden heeft u in veel gevallen een aparte toestemming nodig. Dit is de toestemming "Handelingen met gevolgen voor natuurgebieden".

Op deze pagina vindt u informatie over:

Wat zijn beschermde natuurgebieden

De minister wijst deze beschermde natuurgebieden aan voor de uitvoering van richtlijn 2009/147/EG (Vogelrichtlijn) en richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn). Deze gebieden zijn Natura 2000-gebieden. De grondslag voor de aanwijzing staat in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming. 
Op deze kaart vindt u de Natura 2000-gebieden.

Toestemming Wet natuurbescherming of Wabo

De toestemming "Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden" maakt soms deel uit van de omgevingsvergunning. De initiatiefnemer van een project bepaalt dit. Hij kiest ervoor om de toestemming los of gelijktijdig met de omgevingsvergunning aan te vragen.

Los van de omgevingsvergunning
De initiatiefnemer vraagt de toestemming "Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden" aan bij de provincie. De toestemming is dan een vergunning Wet natuurbescherming.

Met de omgevingsvergunning
Als de initiatiefnemer geen vergunning Wet natuurbescherming heeft aangevraagd, dan moet hij de toestemming "Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden" met de omgevingsvergunning aanvragen. De toestemming haakt dan aan bij de omgevingsvergunning.

Voortoets

De initiatiefnemer doet de voortoets in overleg met het bevoegd. De voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijk uit de voortoets dat er zeker geen negatieve effecten voor natuurgebieden zijn. Dan is er geen vergunningplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke negatieve effecten zijn volgt een verdere toetsing. Meer informatie over de voortoets.

In de voortoets verzamelt de initiatiefnemer informatie over de mogelijke gevolgen van zijn activiteiten voor de beschermde natuurgebieden. Die informatie moet hij bij de provincie aanleveren. De provincie beoordeelt deze informatie en komt tot een van de volgende uitspraken:

  1. Er is zeker geen effect. In dat geval heeft de initiatiefnemer geen vergunning nodig en kunt hij verder gaan met zijn activiteiten. Of doorgaan met een aanvraag omgevingsvergunning.
  2. Er is een kans op een negatief effect, maar dit is zeker niet significant. In dat geval moet de initiatiefnemer een vergunning aanvragen. Bij de aanvraag voor die vergunning moet hij het resultaat van een verslechteringstoets (effectbeschrijving) voegen.
  3. Er is kan op een significant negatief effect. In dat geval moet de initiatiefnemer ook een vergunning aanvragen. Bij deze aanvraag moet hij een passende beoordeling voegen.

Verslechteringstoets

De verslechteringstoets is een vervolg op de voortoets. Uit de voortoets blijkt dat de activiteit negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. In de verslechteringstoets onderzoekt de initiatiefnemer of de natuurlijke habitats of habitats van soorten door zijn activiteit zullen verslechteren. Meer informatie over de verslechteringstoets.

Passende beoordeling

De passende beoordeling is een vervolg op de voortoets. Uit de voortoets blijkt dat de activiteit negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. In de passende beoordeling onderzoekt de initiatiefnemer of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied door zijn activiteit in gevaar komen. Meer informatie over de passende beoordeling.

Mitigerende maatregelen

Mitigerende maatregelen voorkomen of verminderen de nadelige gevolgen van een project. De maatregelen bevatten aanpassingen aan of binnen het project. Doorloop bij voorkeur de volgende stappen bij het zoeken naar mitigerende maatregelen:

  1. Maatregelen bij de bron om effecten te vermijden
  2. Maatregelen bij de bron om effecten te verminderen
  3. Maatregelen om effecten op beschermde soorten, hun leefgebied of habitattype te bestrijden

ADC-toets

De ADC-toets is een vervolg op de passende beoordeling. Uit de passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen. De mitigerende maatregelen zijn niet voldoende om de negatieve gevolgen te voorkomen of verminderen. De vergunning kan alleen worden verleend als het project aan de drie voorwaarden van de ADC-toets voldoet:
1. Er zijn geen alternatieven voor het project
2. Er is een dwingende reden van openbaar belang
3. Er worden voldoende compenserende maatregelen getroffen

Meer informatie over de ADC-toets.

Compenserende maatregelen

Compenserende maatregelen creëren nieuwe waarden die gelijk zijn aan de waarden die verloren gaan. De maatregelen maken geen onderdeel uit van het project. Ze maken daar procedureel wel onlosmakelijk deel van uit. De compenserende maatregelen wegen mee in de ADC-toets.

Inhoud aanvraag

De initiatiefnemer geeft in de aanvraag aan voor welke natuurgebieden zijn project mogelijk nadelige gevolgen. Hij geeft per gebied de aard en omvang van de mogelijke negatieve gevolgen aan. Ook moet hij in de aanvraag aangeven welke mitigerende en compenserende maatregelen hij zal treffen. Alle indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht (art. 8.1 Mor).

Procedurele aspecten

De vergunning voor "Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden" kan via twee sporen worden aangevraagd:

  1. Als vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. In dit geval vraagt u de toestemming los van alle andere activiteiten aan.
  2. Aangehaakt bij de omgevingsvergunning. In dit geval vraagt u de toestemming gelijktijdig met andere vergunningplichtige activiteiten als onderdeel van de omgevingsvergunning aan. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning alleen verlenen met een verklaring van geen bedenkingen. Het college van gedeputeerde staten of de minister moet deze verklaring afgeven. De omgevingsvergunning wordt voorbereid met de uitgebreide procedure.

Uw onderwerpen