Wat gebeurt er met de omgevingsvergunning als een Wm-inrichting overgaat in andere handen?

Vraag

Wat gebeurt er met de omgevingsvergunning als een vergunningplichtige Wm-inrichting overgaat in andere handen?

Antwoord

De omgevingsvergunning gaat op grond van artikel 2.25, eerste lid van de Wabo, automatisch mee over. De omgevingsvergunning is namelijk zaaksgebonden en niet persoonsgebonden. Wel moet de vergunninghouder ten minste een maand voor de overgang een melding doen bij het bevoegd gezag (artikel 2.25, tweede lid, Wabo). Ook is er een redelijke kans dat de omgevingsvergunning moet worden aangepast. Hieronder worden diverse mogelijke situaties besproken. De bespreking is beperkt tot de omgevingsvergunning voor het drijven van een Wm-inrichting. Eventuele aanpassingen van andere onderdelen van de omgevingsvergunning worden hierbij buiten beschouwing gelaten, omdat die meer voor zich spreken.

1. Het nieuwe bedrijf verricht dezelfde soort activiteiten als het oude bedrijf

In dit geval kan de oude omgevingsvergunning gebruikt worden door het nieuwe bedrijf. Zijn er wijzigingen of uitbreidingen (bijvoorbeeld een grotere opslag of meer aan- en afvoer), dan is er wellicht een wijzigings-, uitbreidings- of eventueel revisievergunning nodig voor het milieugedeelte van de omgevingsvergunning. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een inrichting is niet mogelijk, omdat op één inrichting niet meerdere oprichtingsvergunningen mogen rusten (zie onder andere ABRvS 30 juni 1997, E03.96.0006, M&R 1997/116 en ABRvS 20 juni 2000, E03.98.1366 waarin aangegeven werd dat er een revisievergunning verlangd had moeten worden maar de Raad van State de foutief verleende oprichtingsvergunning als een revisievergunning beschouwde).

2. Het nieuwe bedrijf verricht andersoortige activiteiten dan het oude bedrijf

In dit geval is de oude vergunning niet meer toereikend en is het aan te bevelen een revisievergunning te verlenen. Volgens de huidige lijn van de jurisprudentie (zie bijv. ABRvS 20 maart 2002, 200100206/2; ABRvS 27 maart 2004, 200306177) kan er ook bij een verandering naar volledig andere activiteiten dan genoemd in de oprichtingsvergunning, een revisievergunning worden verleend. Het is dus niet nodig om eerst de vergunning in te trekken en daarna een nieuwe oprichtingsvergunning te verlenen.

Ook kan het gebeuren dat het bedrijf door een verandering van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht vergunningvrij wordt, waardoor de omgevingsvergunning milieu komt te vervallen. In dat geval is aanpassing van de omgevingsvergunning natuurlijk niet nodig.

3. De inrichting houdt op te bestaan

Hiervan is bijvoorbeeld sprake als op de locatie van het oude bedrijf geen nieuw bedrijf meer komt, maar een woonwijk. Al is in dat geval de kans klein dat iemand de vergunning nog wil gebruiken, toch is het aan te bevelen de vergunning in te trekken op grond van artikel 2.33, tweede lid, onderdeel a (meer dan drie jaar geen gebruik van de vergunning) of artikel 2.33, tweede lid, onderdeel d, onder 2 (verwoesting), van de Wabo. Zo wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat en dat iemand alsnog aanspraak maakt op de vergunning en daarbij behorende rechten.