Fijn stof: PM2,5

PM2,5 bestaat uit fijnstofdeeltjes, kleiner dan 2,5 micrometer. Sinds 1 januari 2015 moet het bevoegd gezag de luchtkwaliteit toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Dat speelt bijvoorbeeld bij het verlenen van een omgevingsvergunning of bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het besluit moet een gemeente of provincie onderbouwen, dat aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

Wat houdt de grenswaarde voor PM2,5 in?
Andere normen voor PM2,5
Toelichting op BCV en richtwaarde voor vermindering van de blootstelling
Rekenen en meten aan PM2,5
Relatie tussen PM10 en PM2,5
Huidige concentraties PM2.5
Gezondheidseffecten

Wat houdt de grenswaarde voor PM2,5 in?

Voor de vergunningverlening en de ruimtelijke ordening is alleen de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 van belang. Deze grenswaarde is 25 µg/m³ (microgram per kubieke meter) en geldt sinds 1 januari 2015. De grenswaarde voor PM2,5 bestaat dus naast de grenswaarden voor PM10 en NO2.

In besluiten moet een gemeente of provincie onderbouwen, dat aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. De Raad van State bevestigt dit in een uitspraak (juli 2016).

Andere normen voor PM2,5

De grenswaarde voor PM2,5 komt uit de Europese richtlijn (2008/50/EG) voor luchtkwaliteit. In deze richtlijn staan ook andere normen voor PM2,5. Het gaat dan bijvoorbeeld om een norm voor de gemiddelde stedelijke achtergrondconcentratie PM2,5. Die normen zijn vooral voor de rijksoverheid belangrijk. Aan deze normen hoeft het lokale bevoegd gezag niet te toetsen bij het nemen van een besluit. Alle kwaliteitsnormen voor PM2,5 staan bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Overzicht PM2,5-normen uit de Europese richtlijn:

  • Grenswaarde
    Voor de bescherming van de gezondheid van de mens: een jaargemiddelde PM2,5-concentratie van 25 μg/m3, waaraan vanaf 2015 moet worden voldaan.
  • Plandrempel
    Om op tijd aan de grenswaarde voor PM2,5 te kunnen voldoen gold tot 1 januari 2015 een plandrempel voor de bescherming van de gezondheid van de mens. Dit was in 2008 een jaargemiddelde concentratie van 25 microgram per m3, plus 20%. Dat percentage werd elk jaar gelijkmatig verminderd tot 0% op 1 januari 2015.
  • Richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens
    Een jaargemiddelde PM2,5-concentratie van 25 μg/ m3, waaraan vanaf 2010 voor zover mogelijk moest worden voldaan. Het halen van richtwaarden is een inspanningsverplichting.
  • Blootstellings-concentratieverplichting (BCV)
    Deze geldt sinds 2015 en is maximaal 20 μg/ m3. De BCV wordt uitgedrukt als gemiddeldeblootstellingsindex (GBI). Dat gaat over de gemeten concentraties op stedelijke achtergrondlocaties in Nederland. De GBI is uiteindelijk het gemiddelde over de laatste drie jaar.
  • Richtwaarde voor de vermindering van de blootstelling van de mens
    Deze moet op 1 januari 2020 zoveel mogelijk zijn bereikt. Deze richtwaarde is het percentage van de GBI in 2020 ten opzichte van 2010. Dit doelpercentage is afhankelijk van de hoogte van de GBI:
    20% bij een GBI groter dan 18 μg/m3
    15% bij een GBI van 13-18 μg/m3,
    10% bij een GBI van 8,5-13 μg/m3.

Toelichting op BCV en richtwaarde voor vermindering van de blootstelling

De grootschalige blootstelling aan PM2,5 moet op stedelijk niveau verminderen. Daarom geldt er vanaf 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting (BCV) van 20 microgram per m3, aangeduid als gemiddelde blootstellingsindex (GBI).

De BCV geldt voor het landelijk gemiddelde van de stedelijke achtergrondconcentraties (gemiddeld over drie jaar). De verplichting is vooral een zaak van het rijk. De lokale bevoegde gezagen kunnen hier bij individuele besluiten niet aan toetsen.

Daarnaast gelden per 2010 richtwaarden voor de vermindering van de blootstelling van de mens. De richtwaarden zijn percentages ten opzichte van de GBI in 2010. De GBI is een maat voor de gemeten concentraties op stedelijke achtergrondlocaties in Nederland, over een periode van 3 jaar. De minister van IenM neemt maatregelen in gevallen waarin de richtwaarde wordt overschreden of als een overschrijding dreigt. De maatregelen hebben als doel de richtwaarde te bereiken (Wm bijlage 2 voorschrift 4.6 en 4.7). Bij het nemen van zulke maatregelen worden de kosten meegewogen.

Rekenen en meten aan PM2,5

In Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl) staat hoe de concentraties van fijn stof in de buitenlucht bepaald moeten worden. Dat zijn ongeveer dezelfde regels voor het bepalen van de concentraties PM2,5 en PM10. Er zijn algemene eisen voor het meten van PM2,5. Ook gelden voor PM2,5 eisen voor de vaste meetpunten op stedelijke achtergrondlocaties.

Jaarlijks worden voor PM2.5 emissiefactoren en achtergrondgegevens bekend gemaakt. Deze gegevens moet het bevoegd gezag gebruiken voor het toetsen van de luchtkwaliteit.

De NSL-rekentool kan PM2,5-concentraties van wegverkeer berekenen. Het programma ISL3a kan dat voor puntbronnen (uit industrie of agrarische sector).

Ook zijn er verschillende commerciële modellen op de markt die de concentratie van deze bronnen kunnen uitrekenen. Een lijst van goedgekeurde rekenprogramma's staan op de website van de Rijksoverheid.

Voor stallen in de veehouderij is in veel gevallen het rekenprogramma ISL3A nuttig. Dat geldt ook voor het toetsen aan de norm voor PM2,5, zelfs zonder informatie over emissiefactoren voor PM2,5. Want met PM10-emissiefactoren voor stallen kan ISL3a de bronbijdrage voor PM10 op een toetspunt berekenen. Hierin bevindt zich ook het aandeel PM2,5. Deze bronbijdrage voor PM10 kunt u optellen bij de achtergrondconcentratie voor PM2,5. Het antwoord geeft niet de feitelijke PM2,5 concentratie weer. Wel maakt het antwoord vaak aannemelijk dat de PM2,5 concentratie de grenswaarde niet overschrijdt.

Relatie tussen PM10 en PM2,5

De term PM10 wordt gebruikt voor fijn stof (zwevende deeltjes oftewel Particulate Matter) met een diameter van 10 μm of kleiner. Hieronder vallen dan ook deeltjes met een diameter van 2,5 μm of kleiner. Dit PM2,5 is dus een deel uit de fractie PM10.

PM10 en PM2,5 bestaan uit een zogeheten primaire en een secundaire fractie.

  • De primaire fractie is het deel dat de mens of door de natuur direct in de lucht brengen. Mensen brengen vooral fijn stof in de lucht via industrie en landbouw. Belangrijke natuurlijke bronnen zijn zeezout en opwaaiend bodemstof.
  • Het secundaire deel vormt zich in de atmosfeer door chemische reacties van gassen. Hierin spelen vooral ammoniak (NH3), stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2) en vluchtige organische stoffen (VOS) een belangrijke rol.

PM2,5 ontstaat vooral door condensatie van verbrandingsproducten of door reactie van gasvormige luchtverontreiniging. Ook stof dat rechtstreeks vrijkomt bij verbrandingsprocessen draagt aan PM2,5 bij. Bekende bronnen zijn dan het transport, industrie en huishoudens. Dit fijn stof komt bijvoorbeeld vrij in de vorm van roet en rook.

Stof dat vrijkomt bij mechanische bewegingen en bewerkingen is meestal groter in diameter dan 2,5 micrometer. Dan is het dus PM10. Voorbeelden van zulke bronnen zijn wegdekslijtage en stof afkomstig uit stallen.

De PM10- en PM2,5-concentraties hangen sterk samen. De fractie PM2,5 maakt tenslotte onderdeel uit van het PM10. Daarnaast bestaat PM10 uit deeltjes met een diameter vanaf 2,5 tot 10 μm.

Uit analyse blijkt dat bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3, de kans dat de jaargemiddelde concentratie PM2.5 gelijk is aan of hoger is dan 24 μg/m3, kleiner is dan 1%. De resultaten van de analyse tonen dus aan dat, wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5.

Huidige concentraties PM2.5

Er worden op verschillende plaatsen in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) PM2,5 -metingen uitgevoerd. Op basis van de meetresultaten en berekeningen zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN) voor PM2.5 opgesteld. Het RIVM maakt elk jaar concentratiekaarten. Daarin staan ook de huidige en toekomstige achtergrondconcentraties voor PM2,5.

Voor zover bekend zijn er in Nederland geen overschrijdingen van de jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m3.

Gezondheidseffecten

Fijn stof komt via inademing in de longen terecht. Daardoor kan het gezondheidseffecten veroorzaken. Hierbij gaat het dan in eerste instantie om effecten op de luchtwegen. Uit onderzoek blijkt dat er ook effecten op andere lichaamsdelen zijn, zoals het hart-vaatsysteem. Voor fijn stof is geen veilige concentratie aangetoond. Elke concentratieverlaging leidt daarom tot verbetering van de gezondheid. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseerde in 2005 om te streven naar een waarde van 10 μg/m3 voor PM2.5. Dat ligt dus ver beneden de Europese grenswaarde van 25 µg/m3.

De gezondheidseffecten van fijn stof kunnen kortdurend en langdurend zijn:

  • Sommige gezondheidseffecten zijn er direct na een tijdelijke verhoging van de concentraties tijdens één of enkele dagen. Het gaat dan om de directe (acute) blootstelling.
  • Daarnaast kunnen er effecten zijn door langdurige blootstelling aan relatief lage concentraties. Dit wordt voortdurende of chronische blootstelling genoemd.

In 2015 heeft het RIVM een overzicht gepubliceerd van effecten van (vooral) PM2.5 op de gezondheid: Luchtkwaliteit en gezondheidswinst.