6. Keuring en onderhoud

Paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit geeft voor stookinstallaties eisen voor keuring en onderhoud. De keuringsplicht geldt voor alle typen stookinstallaties waarbij een standaard brandstof wordt verstookt. Voorbeelden daarvan zijn cv-ketels, luchtverwarmers, drogers, fornuizen, noodstoomaggregaten en thermische naverbranders.

De keuringsplicht is niet afhankelijk van de bedrijfsduur van een installatie, waarmee ook noodvoorzieningen onder de keuringsplicht vallen.

De keuringfrequentie is afhankelijk van het type brandstof en het vermogen van de installatie. Als meerdere kleine installaties in één stookruimte staan opgesteld, kan het zijn dat ook deze installaties een keuringsplicht hebben.

De beslisboom (gif, 32 kB) geeft aan of in een bepaalde situatie een keuring verplicht is.

Keuren van stookinstallaties:

Wettelijke grondslag

In paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen voor keuring en onderhoud van kleine en middelgrote stookinstallaties (Activiteitenbesluit, artikel 3.7, lid 4, artikel 3.10p en de Activiteitenregeling, artikel 3.7m). Door de definitie van stookinstallatie in het besluit gelden deze voorschriften ook voor stookinstallaties als luchtverhitters, ovens, drogers, fornuizen, noodstroomaggregaten, pompinstallaties en fakkelinstallaties.

Een keuring omvat mede het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht en de afvoer van verbrandingsgassen en de afstelling voor verbranding (Activiteitenregeling, artikel 3.7, lid 3).

Er is geen plicht tot periodiek onderhoud opgenomen. Als de verplichte keuring uitwijst dat (correctief) onderhoud nodig is, dan is het wel verplicht dit onderhoud te laten uitvoeren (Activiteitenregeling, artikel 3.7m, lid 5).

Paragraaf 3.2.1 is alleen van toepassing op stookinstallaties die standaard brandstoffen stoken. Stookinstallaties die geen standaard brandstoffen stoken, te vinden in het Besluit omgevingsrecht (Bor), bijlage I, onderdeel c, categorie 1.4 onder a, zijn hiervan uitgesloten (Activiteitenbesluit, artikel 3.7, lid 6). Dit betekent dat keurings- en onderhoudsvoorschriften opgenomen worden in de vergunning als dit nodig is.

Doel

De periodieke keuring zorgt voor veilig functioneren, optimale verbranding en het energiezuinig functioneren. De risico's op luchtverontreiniging (CO, NOx, SO2, fijn stof en CxHy), explosiegevaar en energieverspilling verminderen.

Keuringsplichtige stookinstallaties

Volgens de huidige definitie van stookinstallaties, zijn alle installaties waarin een brandstof wordt verstookt en waarbij de opgewekte warmte wordt gebruikt een stookinstallatie.

Een aantal stookinstallaties zijn uitgesloten (Activiteitenbesluit, artikel 3.7, lid 4 en lid 5):

  • installaties voor onderzoek
  • grote stookinstallaties
  • afval(mee)verbrandingsinstallaties
  • mobiele stookinstallaties
  • stookinstallaties gestookt op niet standaardbrandstoffen

De 500-uursregeling is met de vierde tranche wijzigingen van het Activiteitenbesluit, per 1 januari 2016, komen te vervallen. Daarmee geldt de keuringsplicht ook voor noodvoorzieningen.

Keuringsfrequentie

De keuringsfrequentie is afhankelijk van het nominaal vermogen en de verstookte brandstof. De keuringsfrequentie is opgenomen in onderstaande tabel (Activiteitenregeling, artikel 3.7m, lid 1 en lid 2).

Keuringsfrequentie

brandstof

nominaal vermogen

periodieke keuring

(ten minste)


gas


≤100 kW


-


>100 kW


eenmaal per vier jaar


vast/vloeibaar


<20 kW


-


20-100 kW


eenmaal per vier jaar


>100 kW


eenmaal per twee jaar

Voor nieuwe installaties geldt dat de eerste keuring binnen zes weken na ingebruikname moet worden uitgevoerd. Deze verplichting is bij de vierde tranche wijzigingen van het Activiteitenbesluit, per 1 januari 2016, toegevoegd. De keuring- en onderhoudseisen gelden direct. Er is geen overgangsregeling opgenomen.

Voor installaties die vóór deze datum in gebruik waren geldt de termijn van zes weken niet. Voor deze installaties moet de eerste keuring binnen de geldende keuringsfrequentie worden uitgevoerd (vanaf datum ingebruikname).

Goed onderhoud en keuring is de verantwoordelijkheid van de ondernemer en expoitant. Het Activiteitenbesluit geeft een minimumfrequentie. Keuren met een hogere frequentie vindt plaats op basis van eigen verantwoordelijkheid van de van ondernemer of exploitant. Dit laatste is veelal ook op advies van de keuringsinstantie. De toezichthouder kan niet handhaven op de frequentie van het advies.

Kortom: de concrete eisen waaraan exploitanten zich dient te houden zijn (Activiteitenregeling, artikel 3.7m):

  • Installatie periodiek keuren, als uit een keuring blijkt dat onderhoud noodzakelijk is, vindt dat onderhoud binnen twee weken na die keuring plaats,
  • Alleen een SCIOS-gecertificeerd persoon voert de keuring uit.

Periodiek (preventief) onderhoud is in het Activiteitenbesluit niet voorgeschreven. Als uit een keuring blijkt dat onderhoud noodzakelijk is (correctief), dan dient de ondernemer dat onderhoud binnen twee weken uit te voeren. De SCIOS-inspecteur geeft geen verklaring van geen bezwaar af voordat het correctieve onderhoud is uitgevoerd (Activiteitenregeling, artikel 3.7m, lid 5).

Installaties bestaande uit meerdere (kleine) stooktoestellen

Het uitgangspunt voor de keuringsplicht van meerdere kleine stooktoestellen is:

  • ze staan opgesteld in één stookruimte, én
  • ze verstoken dezelfde brandstof, én
  • ze hebben een individueel nominaal vermogen van minimaal 20 kW
  • ze hebben een gezamenlijk nominaal vermogen groter dan 100 kW

Voor de sommatie van nominale vermogens is het niet van belang of de installatie wel of niet in cascade is opgesteld.

Het nominaal vermogen is het verwarmingsvermogen, en heeft dus betrekking op het uitgaande vermogen van de installatie. Het nominale vermogen is terug te vinden op het typeplaatje van de installatie. Het kan zijn dat er meerdere nominale vermogens op het typeplaatje staan, bijvoorbeeld bij cv-ketels. U dient dan van het hoogste nominale vermogen uit te gaan.

Met nominaal word bedoeld, het hoogste vermogen waarbij de installatie volgens de fabrikant continu kan worden gebruikt, en waarbij het opgegeven rendement van de installatie wordt behaald.

De beslisboom (gif, 32 kB) geeft aan of in een bepaalde situatie een keuring verplicht is.

Het begrip stookruimte in de beslisboom volgt uit NEN 3028. Deze norm stelt dat er pas sprake is van een stookruimtes als de totale nominale belasting van de aanwezige verbrandingstoestellen groter is dan 130 kW.

De nominale belasting heeft betrekking op in de energiehoeveelheid per tijdseenheid die aan het toestel wordt toegevoerd, en heeft dus betrekking op het ingaande vermogen. De belasting kan worden berekend door het brandstofverbruik te vermenigvuldigen met de calorische waarde van de brandstof. Volgens de NEN 3028 moet de belasting op basis van de calorische bovenwaarde van de brandstof worden berekend.

Hierdoor kan het voorkomen dat de som van de totale nominale vermogens groter is dan 100 kW en de installatie(s) toch niet gekeurd hoeven te worden, omdat de installaties niet in een zogeheten stookruimte staan. Dit is onder meer afhankelijk van het rendement van de installaties.

Een stookruimte is een ruimte die is ingericht voor de opstelling van stookinstallaties. Dit betekent dat bijvoorbeeld heaters in een bedrijfshal geen keuringsplicht hebben, mits zij per heater een lager nominaal vermogen hebben van 100 kW. Een bedrijfshal is namelijk geen stookruimte.

Voor het uitvoeren van een keuring van een installatie bestaande uit meerdere kleine stooktoestellen heeft SCIOS vereenvoudigde keuringsvoorschriften opgesteld.

SCIOS

De keuring wordt uitgevoerd door een bedrijf dat beschikt over een SCIOS-certificaat. Het certificaat geeft de deskundigheid van het bedrijf en de werknemers aan.

SCIOS heeft een systematiek opgezet voor onderhoud, reguliere keuringen en inspectie bij ingebruikname (eerste bijzondere inspectie) en beheert het kwaliteitssysteem voor keuring en onderhoud. Het Activiteitenbesluit is het raamwerk voor keuring en onderhoud. De precieze (technische) invulling van de wettelijke voorschriften zijn door SCIOS uitgewerkt in diverse scopes voor de verschillende type stookinstallaties, metingen en brandstoftoevoerleidingen.

Gelijkwaardigheid

De gelijkwaardigheid geldt voor lidstaten binnen de EU. Als een bedrijf uit de EU in Nederland keuringen uitvoert, moet eerst de gelijkwaardigheid van kwaliteitssysteem van het land worden aangetoond. De Raad voor Accreditatie is hiervoor de aangewezen instantie.

Biomassa

Biomassagestookte installaties vallen onder de werkingsfeer van de SCIOS-scope 5, "Bijzondere industriële installaties". Bij deze scope is een onderdeel opgenomen voor biomassagestookte installaties. Daardoor is de scope 5-gediplomeerde monteur/inspecteur gerechtigd aan deze installaties te werken.

Brandstoftoevoerleidingen

Omdat de keuring van brandstoftoevoersystemen onderdeel is van de keuringsverplichting voor de stookinstallatie, zijn dezelfde minimale frequenties van toepassing als vermeld in het Activiteitenbesluit. De frequenties zijn gelijk aan die van de stookinstallatie. De SCIOS-inspecteur bepaalt ter plekke welke elementen hij aan een keuring onderwerpt. Dit doet hij aan de hand van de situatie ter plekke en de bevindingen uit het laatste keuringsrapport. Na de keuring geeft de inspecteur een verklaring van geen bezwaar af voor de brandstoftoevoerleidingen.

De inspecteur beoordeelt of de leiding in goede staat verkeert en of de functionaliteit van de afsluiters en eventuele regel- en beveiligingsapparatuur voldoet aan de geldende eisen voor veiligheid en milieu. Ook een lekdichtheidstest kan onderdeel zijn van de keuring.

De drijver van de inrichting moet apart opdracht geven voor keuring van de brandstoftoevoerleiding. Uiteraard kan hij het zo afspreken dat de keuring op dezelfde dag wordt uitgevoerd als de toestelkeuring. De ondernemer kan dit bij opdrachtverstrekking aangeven.

De keuring voor brandstoftoevoerleidingen is uitgewerkt in scope 7. Deze scope heeft drie onderdelen, namelijk:

  • 7a: aardgas, kleiner of gelijk aan 0,5 bar
  • 7b: aardgas, groter dan 0,5 bar
  • 7c: olieleidingen

Scope 7a (ontwerpdruk ≤ 0,5 bar) voor gebouwgebonden en licht industriële toepassingen

De meeste brandstofleidingen ondergaan een keuring volgens deze scope.

Scope 7b (ontwerpdruk > 0,5 bar) voor industriële toepassingen.

Er kunnen andere inspectiefrequenties van toepassing zijn door regelgeving uit andere besluiten (bijvoorbeeld het bouwbesluit). De frequenties uit het Activiteitenbesluit is de minimale keuringsfrequentie.

scope 7c (olieleidingen)

Bij deze scope kan het om zowel gebouwgebonden als industriële toestellen gaan.

Verslaglegging

In het Activiteitenbesluit is aangegeven dat diegene die keuring en onderhoud uitvoert, een ondertekend verslag maakt voor de drijver van de inrichting. In dit verslag wordt vastgelegd:

  • wanneer de keuring is uitgevoerd
  • door wie de keuring is uitgevoerd
  • welk onderhoud is verricht

De houder van de stookinstallatie moet het laatste verslag ter beschikking houden aan het bevoegd gezag. Dit betreft een bewaarplicht en geen meldingsplicht van het laatst opgestelde keuringsverslag.

Stookinstallatie- en gebouwgebonden aspecten

Volgens het Activiteitenbesluit kan de SCIOS-inspecteur alleen de verklaring van geen bezwaar weigeren als de stookinstallatie zelf niet voldoet en niet vanwege gebreken aan de stookruimte. Immers, alleen keuring en onderhoud van de installatie is geregeld in het Activiteitenbesluit. De gebouwgebonden items zijn geregeld in het Bouwbesluit.

De toezichthouder op gebouwen kan wel handhavend optreden als er gebreken aan de stookruimte zijn gevonden. De SCIOS-inspecteur noteert zijn bevindingen in het keuringsrapport als aandachtspunten. De toezichthouder van het bevoegd gezag kan dit keuringsrapport vervolgens opvragen bij de ondernemer.


Uw onderwerpen