Een veehouderij maakt een doorstart en doet hiervoor melding Activiteitenbesluit. Kan de veehouderij gebruik maken van het overgangsrecht voor bestaande bedrijven uit het Activiteitenbesluit?

Vraag

Een veehouderij maakt een doorstart en doet hiervoor melding Activiteitenbesluit. Kan de veehouderij gebruik maken van het overgangsrecht voor bestaande bedrijven uit het Activiteitenbesluit?

Antwoord

Ja, maar alleen als het bevoegd gezag beoordeelt dat het gaat om een voortzetting van het eerder gemelde of vergunde bedrijf.

Als het gaat om een oprichting, is het overgangsrecht niet van toepassing.

Het overgangsrecht voor geur en ammoniak is geregeld in paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. Voor bestaande bedrijven gelden soepeler normen dan voor nieuwe bedrijven.

Het bevoegd gezag toetst op redelijkheid. Aspecten bij deze beoordeling zijn:

Voorbeeld

Een veehouder is een aantal jaren geleden gestopt met het houden van melkrundvee. Er was geen vergunning in te trekken, omdat het bedrijf destijds onder het Besluit landbouw viel. In 2013 komt er een nieuwe eigenaar. Deze eigenaar wil 20 paarden gaan houden.

Het bevoegd gezag oordeelt dat er sprake is van een nieuwe inrichting. Redenen:

  1. er is een aantal jaren geen sprake geweest van een inrichting en
  2. de eigenaar wil andere dieren in andere stallen gaan houden.

De inrichtinghouder moet dus een melding indienen voor het oprichten van een inrichting met 20 paarden. Daarnaast moet hij voldoen aan de voorschriften. Bijvoorbeeld voor geur: minimaal 50 meter tot de dichtstbijzijnde woning buiten de bebouwde kom. Het overgangsrecht is niet van toepassing. In dit specifieke geval is geen OBM nodig.

Jurisprudentie

Rechtbank Limburg, AWB/ROE 13/2521, 16 september 2014, Peel en Maas

Eerder waren 504 vleesvarkens in D3.100.2 vergund. Nu komen er twee vleesvarkenstallen bij voor (1.536 + 1.440 =) 2.976 vleesvarkens met een huisvestingssysteem D 3.2.15.4.2 en biologische gecombineerde luchtwassers. De eerdere vergunning voor 504 vleesvarkens zal vervallen, de ‘oude' stal krijgt in de nieuwe opzet de functie als opslag en berging en de bestaande mestputten worden afgedekt.

De rechtbank oordeelt dat dit een uitbreiding van een bestaand bedrijf is: 'De rechtbank stelt vast dat de
inrichting waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, de eerder vergunde inrichting gedeeltelijk, voor zover het betreft de oude stal, overlapt en dat er daarnaast sprake is van een uitbreiding. Dat is de door verweerder bij de beoordeling in aanmerking genomen situatie en daarmee is aan die vergunningaanvraag ook recht gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat aspecten niet of onvoldoende bij de beoordeling van de aanvraag voor de gehele geplande inrichting zijn betrokken. Gelet op de ruimtelijke overlapping en het
ongewijzigd blijven van de bedrijvigheid, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat de aanvraag het oprichten van een nieuwe inrichting en niet het veranderen van een inrichting betreft. De grond slaagt niet. "

Rechtbank Zeeland West-Brabant, BRE 13/4686 GEMWT,13/4729 GEMWT en 14/1411 GEMWT, 15 juli 2014, gemeente Roosendaal

Een varkensbedrijf heeft zijn stallen omgebouwd tot oldtimer stalling. Later is hij weer dieren gaan houden, maar niet op dezelfde plaats. De rechter ziet dit niet als een voortzetting van zijn oorspronkelijke vergunning.

"Op basis van de hinderwetvergunning was het eiser toegestaan 5 beren, 250 zeugen, 480 mestvarkens en 400 gespeende biggen te houden in de daartoe aangewezen stallen. Sinds 2005 heeft eiser in die stal geen varkens meer gehouden: de stal is omgebouwd ten behoeve van de stalling van oldtimers. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat verweerder dit wel heeft geconstateerd, maar dat het er niet van gekomen is de Hinderwetvergunning in te trekken. Sinds 2012 houdt eiser weer varkens, echter uit de controlerapporten van 22 juni 2012 en 19 februari 2013 volgt - en door eiser wordt ook niet betwist - dat het ging om een aanmerkelijk geringer aantal zeugen en biggen, en voorts dat zij op een andere locatie stonden dan vergund.
In die omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat eiser de inrichting op basis van dezelfde vergunning heeft voortgezet en dat het hier gaat om de toepassing van de emissiereducerende stoppersmaatregel ‘Minder dieren houden'. Het gaat hier immers om een verandering van activiteiten ten opzichte van de onderliggende hinderwetvergunning
."

JnB2014, 17, Rechtbank Noord-Holland, 13 december 2013, Awb 12-2780, gemeente Texel

Het ging om een horecabedrijf. De gemeente was ervan uitgegaan dat dit een nieuwe inrichting was, volgens eisers wat het een bestaande inrichting. De rechter overweegt:

"6.5 (...) De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de aard en de werking van de inrichting sinds 2009 in belangrijke mate zijn gewijzigd. De enkele stelling van verweerder dat het equivalente geluidsniveau binnen de inrichting voor 2009 minder dan 80 dB(A) bedroeg en thans meer dan 80 dB(A) bedraagt, acht de rechtbank, wat ook zij van de aannemelijkheid van die stelling, daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht van betekenis dat op de locatie sinds 1988 een horecabedrijf is gevestigd en dat op de locatie sindsdien ook altijd een horecabedrijf in werking is geweest. De tekst van en de toelichting op artikel 6.15 van het Activiteitenbesluiten bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat onder die omstandigheden geen overgangsrechtelijke bescherming toekomt aan de inrichting."