Wat zegt de jurisprudentie over het begrip geurgevoelig object in de agrarische geurregelgeving?

Vraag

Wat zegt jurisprudentie over geurgevoelig object?

Antwoord

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit beschermen geurgevoelige objecten tegen de geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De definitie - met een aantal eisen- van geurgevoelig object staat in artikel 1 Wgv. Een woning of een ander verblijf is pas een geurgevoelig object, als hij voldoet aan alle eisen van de definitie.
Woning naast molen in buitengebiedIn rechtszaken zijn deze eisen aan de orde gekomen:

Gebouw

ABRvS, 201205798/1/R4, 3 juli 2013, gaat over een passantenhaven. Alleen de gebouwen van de passantenhaven krijgen bescherming. "Anders dan [appellant] betoogt, is de passantenhaven niet in zijn geheel een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Ingevolge artikel 1 van die wet zijn geurgevoelige objecten immers gebouwen en ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder a, van de planregels dienen gebouwen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Uit de aangehaalde planregels volgt dat het plan slechts binnen de bouwvlakken voorziet in de bouw van geurgevoelige objecten."

Bestemd voor wonen of verblijf

ABRvS, 201410094/1/A1, 30 september 2015, Oirschot: "2.3. Niet in geschil is dat de woning, met inbegrip van het in geding zijnde gedeelte, op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor bewoning mag worden gebruikt. Dat op de tekening, behorend bij de bij besluit van 22 augustus 1973 voor de woning verleende bouwvergunning, is weergegeven dat in het in geding zijnde gedeelte van de woning een garage annex berging wordt gerealiseerd, maakt het juridisch-planologisch toegelaten gebruik niet anders."

In ABRvS, 201402062/1/A4, 13 mei 2015, Limburg, werd een voormalige varkensstal feitelijk gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, maar was die juridisch-planologisch niet toegestaan. Daarom was geen sprake van een geurgevoelig object.

ABRvS, 201308724/1/A1, 15 oktober 2014, Voerendaal, betrof hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank. Het ging om een zorgboerderij. Deze zorgboerderij was geen geurgevoelig object, maar het vakantieappartement dat ernaast gebouwd zou worden, wel De Afdeling oordeelt dat de gemeente uitsluitend het vakantieappartement moest beoordelen voor geur. Anders dan de rechtbank vindt, is het niet nodig om te onderzoeken of de zorgboerderij alsnog geurgevoelig object wordt. De reden is dat de zorgboerderij niet juridisch-planologisch bestemd is voor wonen of verblijf. "8.2. (...) Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009, in zaak nr. 200806627/1/H1c; www.raadvanstate.nl), uit de wetsgeschiedenis inzake de Wgv (Kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" in artikel 1 van die wet wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Dat is voor de zorgboerderij niet het geval. Realisering van het vakantieappartement kan in die situatie geen verandering brengen. Bovendien
ziet de aanvraag om omgevingsvergunning niet op wijziging van het gebruik van de zorgboerderij in de hier door [appellant sub 1] bedoelde zin.(...)"

In ABRvS, 201210676/1/A1 van 12 juni 2013 (M en R 2014/38, met noot Nijmeijer) oordeelt de Afdeling dat een woonunit een geurgevoelig object is. Deze woonunit mocht namelijk door persoonsgebonden overgangsrecht worden bewoond. Op de locatie van de woonunit rust onder het geldende bestemmingsplan geen woonbestemming. Maar door het verlenen van de tijdelijke omgevingsvergunning is de woonunit in die periode in ruimtelijke en planologische toegestaan. Daarom is de woonunit bestemd voor menselijk wonen of verblijf van de Wgv.

In ABRvS, 201200275/1/A4 van 12 juni 2013, oordeelt de Afdeling dat met de term ‘bestemd' inhoudt, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Dat kan volgens de Afdeling het geval zijn, wanneer in het bestemmingsplan de woning voor woondoeleinden is bestemd, maar ook wanneer het gebruik van de woning door persoonsgebonden overgangsrecht van het bestemmingsplan is toegestaan.

ABRvS, 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012: "Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3, blz. 17) wordt met de term 'bestemd' bedoeld dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. [...] De rechtbank heeft terecht overwogen dat de schoonheidssalon als een geurgevoelig object als bedoeld in de zin van artikel 1 van de Wgv moet worden aangemerkt, omdat de schoonheidssalon door de verlening van de gevraagde vrijstelling in ruimtelijke en planologische zin zal worden toegelaten en het gebouw voorts bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf en ook als zodanig wordt gebruikt."

In ABRvS, 200806627/1/H1 van 8 juli 2009 oordeelt de Afdeling over strijdig gebruik: "Uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Nu de woning op het perceel een gebouw betreft, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen, en voorts permanent daarvoor wordt gebruikt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de woning een geurgevoelig object is als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Dat de woning in strijd met het bestemmingsplan niet wordt gebruikt als agrarische bedrijfswoning, maar als burgerwoning, leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van de Wgv is, wat dit aspect aangaat, niet meer vereist dan dat een gebouw planologisch gezien een functie heeft voor wonen of verblijf".

In ABRvS, 200802926/1 van 25 februari 2009 overweegt de Afdeling" dat de schuur als geurgevoelig object kan worden beschouwd voor zover er de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "woning (b)" op rust. Het gedeelte van de schuur met de aanduiding "opslag en stalling" is als zodanig niet als geurgevoelig object te beschouwen.

Uit ABRvS, 200802497/1 van 28 januari 2009 (RO) volgt dat met bestemd wordt bedoeld: juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Zie ook ABRvS, 200801961/1 van 11 maart 2009 en ABRvS, 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRvS, 200901407/1/R2 van 13 januari 2010.

Bestemd als burgerwoning of bedrijfswoning

Met de inwerkingtreding van de "Wet plattelandswoning" op 1 januari 2013 is de definitie van geurgevoelig object gewijzigd, waarmee bestemd duidelijker is vastgelegd. Zie voor meer informatie Geur en Plattelandswoningen.

ABRvS, 201113089/1/A4 van 7 augustus 2013 over bestemming als burgerwoning van woning die wordt bewoond door moeder van drijver van de inrichting: Het moet er voor worden gehouden dat het gebruik van de woning [locatie a] als burgerwoning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit juridisch-planologisch was toegestaan. Het college heeft deze woning in het bestreden besluit ten onrechte aangemerkt als een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder.
Op grond van de bij de aanvraag behorende geurberekening is aannemelijk dat ter plaatse van de woning [locatie a] niet wordt voldaan aan de krachtens de Wet geurhinder geldende geurnorm van 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Het bestreden besluit is, gelet hierop, in strijd met de Wet geurhinder.

ABRvS, 201200275/1/A4 van 12 juni 2013: bestemd voor wonen kan ook volgen uit persoongebonden overgangsrecht. "2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat dit betekent, dat de grond waarop de woning staat in het bestemmingsplan zou moeten zijn bestemd voor woondoeleinden. Nu de grond is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, is de woning volgens het college geen geurgevoelig object. Dat de woning op grond van het persoonsgebonden overgangsrecht van het bestemmingsplan door [twee appellanten] mag worden bewoond, maakt dat volgens het college niet anders.
2.5. Naar het oordeel van de Afdeling is dit standpunt onjuist. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3, blz. 17) blijkt dat met de term 'bestemd' wordt bedoeld dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Dat kan het geval zijn indien het bestemmingsplan de woning een bestemming voor woondoeleinden geeft, maar ook - zoals hier - indien het gebruik ingevolge persoonsgebonden overgangsrecht van het bestemmingsplan is toegestaan. In beide gevallen gaat het om een planologisch rechtmatig gebruik dat, indien ook aan de andere daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan, onder het beschermingsregime van de Wet geurhinder en veehouderij valt."

ABRvS, 200905744/1/M2 van 20 januari 2010: afgesplitste woning is geen geurgevoelig object omdat de woning planologisch gezien nog steeds onderdeel uitmaakt van de inrichting. "Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H1) brengt een redelijke wetsuitleg mee dat - anders dan in de uitspraak van 28 januari 2009, in zaak nr. 200800903/1 is gedaan - bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, eveneens aansluiting wordt gezocht bij de juridisch-planologische status van die woning. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat door de enkele ingebruikneming van een agrarische bedrijfswoning als burgerwoning, bescherming aan die woning zou toekomen ten opzichte van de veehouderij waartoe deze behoorde, terwijl met de inwerkingtreding van de Wet geurhinder ook de planologische status van belang wordt geacht voor de vraag of een object moet worden beschermd tegen stankhinder. 2.6.3. De woning op het perceel [locatie] is bestemd als agrarische bedrijfswoning en behoort planologisch gezien nog steeds bij de nog in werking zijnde inrichting. In dit licht bezien maakt de woning nog steeds onderdeel uit van de inrichting, zodat deze geen bescherming toekomt tegen geuremissie afkomstig van die inrichting. Het college heeft de woning [locatie] derhalve terecht niet betrokken bij de beoordeling van geurhinder vanwege de inrichting. De beroepsgrond faalt."

Zie ook: Jurisprudentie bedrijfswoning

Permanent of gelijkwaardig gebruik

ABRvS, 201410094/1/A1, 30 september 2015, Oirschot: "Om te beoordelen hoe het gedeelte wordt gebruikt is namens het college op 22 oktober 2013 ter plaatse een controle uitgevoerd. Hiervan is een verslag opgemaakt en er zijn foto’s gemaakt. Tijdens deze controle is geconstateerd dat in de ruimte een wasmachine, -droger, diepvries en magnetron zijn opgesteld en dat een aanrecht aanwezig is met twee kranen. De ruimte wordt door middel van de cv-installatie van de woning verwarmd. Blijkens de foto’s en het verhandelde ter zitting maakt de ruimte deel uit van het huis. De in de ruimte aanwezige deur doet voor de bewoners dienst als achteruitgang van het huis. Op grond van het gestelde in het verslag en de foto’s heeft de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat het gedeelte van de woning blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor wonen of menselijk verblijf en dat het gebruik structureel is en plaatsvindt door dezelfde personen, zodat sprake is van langdurige blootstelling aan geurhinder in een gebouw."

Rechtbank Oost-Brabant, SHE 14/1249, 7 november 2014, Oirschot: de vraag is of een garage annex berging deel is van de woning. Het gaat om een (verwarmde) ruimte, die helemaal in gebruik is als berging, waar fietsen en huishoudelijke apparatuur staan. De ruimte wordt ook gebruikt door kinderen (er is speelgoed aanwezig en een traphekje voor de trap). Er is ook een aanrecht met twee kranen. De toegangsdeur wordt gebruikt als achteringang van de woning (er is een kapstok aanwezig bij de deur). Op de bouwtekening is de garage annex berging als zodanig aangeduid.
De rechtbank oordeelt: “13. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of de garage annex berging kan worden aangemerkt als een deel van het geurgevoelig object. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1290) is bepalend of sprake is van een ruimte waarbinnen langdurig kan of zal worden verbleven.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat in de ruimte langdurig wordt verbleven. De derde-partij gebruikt de ruimte als onderdeel van de woning. Het gebruik is structureel en vindt plaats door dezelfde personen zodat sprake is van langdurige blootstelling. Gelet hierop is de ruimte onderdeel van het geurgevoelig object. Dat, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, slechts enkele fietsen, een stofzuiger en een rijzadel zijn waar te nemen op de door verweerder overgelegde foto’s en dat de ruimte ook wordt gebruikt voor opslag, leidt niet tot een ander oordeel.”

Rechtbank Overijssel, Awb 14/167, van 4 augustus 2014: daarin ging het om stacaravans. Op een camping zijn 110 plaatsen voor stacaravans en verder zijn er seizoenplaatsen. De camping is van april tot oktober geopend. De rechtbank oordeelt, dat de stacaravans terecht niet zijn aangemerkt als geurgevoelige objecten: "De stacaravans zijn immers niet bedoeld om permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor menselijk verblijf te worden gebruikt."

ABRvS, 201301469/1/R1 van 10 juli 2013: "Voor zover [appellant] betoogt dat in het kader van het onderzoek ook de geurbelasting op het gebouw met sanitaire voorzieningen en de berging had moeten worden berekend, overweegt de Afdeling dat deze niet worden aangemerkt als geurgevoelig objecten in de zin van de Wgv omdat geen sprake is van permanente bewoning of verblijf."

ABRvS, 201210676/1/A4 van 12 juni 2013: een tijdelijke woonunit is een geurgevoelig object, nu het gaat om langdurig gebruik. "Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2013 in zaak nr. 201111498/1/T1/R4; www.raadvanstate.nl) valt uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, waarmee is besloten de term ‘regelmatig' uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19), af te leiden dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen.
5.2.(...) Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de woonunit, gedurende de periode waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, door [vergunninghouder] zal worden bewoond. Gelet op de aard van dat gebruik moet worden aangenomen dat gedurende die periode langdurig in het gebouw zal worden verbleven. Vanwege dat gebruik moet deze woonunit daarom als een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv worden aangemerkt. De rechtbank heeft dat niet onderkend
. "

ABRvS, 201104200/1/H1 van 11 januari 2012: kampeerboerderij is geen geurgevoelig object: "In aanmerking genomen dat het gebruik van de in de paardenstal te vestigen kampeerboerderij is gericht op het bieden van recreatief (nacht)verblijf voor beperkte duur, te weten een vakantieperiode van maximaal enkele achtereenvolgende weken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat van permanent of daarmee gelijk te stellen gebruik voor menselijk verblijf geen sprake is, zodat de paardenstal niet valt aan te merken als geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wgv."

ABRvS, 201103384/1/A4 van 7 november 2012: garage, die wordt gebruikt als keuken, stallingsruimte en werkplaats is geurgevoelig object: "Naar het oordeel van de Afdeling biedt hetgeen [appellant] heeft aangevoerd onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de stallingruimte in zijn garage, anders dan het college heeft vastgesteld, permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze, wordt gebruikt. In zoverre faalt het betoog van [appellant].
Dit is anders voor zover het de werkplaats in de garage betreft. Gelet op hetgeen [appellant] in zijn zienswijze heeft verklaard
omtrent het gebruik dat hij van de werkplaats maakt en de daarbij alsmede de bij het deskundigenbericht gevoegde foto's, acht de Afdeling aannemelijk dat de werkplaats niet slechts een enkele keer per week wordt gebruikt, waarvan het college uitgaat, maar permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze. Het college heeft dan ook ten onrechte dit deel van de garage niet als geurgevoelig object aangemerkt. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat ook ter plaatse van de werkplaats aan de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen normen voor geurhinder kan worden voldaan. Het besluit van 17 juli 2012 is op dit punt in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. In zoverre slaagt het betoog van [appellant]."

ABRvS, 201100912/1/M2 van 3 augustus 2011: recreatiewoning en een pension zijn geurgevoelige objecten: "Tot het recreatiebedrijf van [appellant] behoort onder meer een pension aan [locatie 2] en een recreatiewoning aan [locatie 3]. Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900791/1/M2 heeft overwogen, volgt uit de parlementaire geschiedenis dat met de definitie van geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij mede is beoogd om gebouwen die niet dienen tot permanent verblijf bescherming tegen geurhinder te bieden, zodat een recreatiewoning - en in de onderhavige zaak ook een pension - als geurgevoelig object als bedoeld in dat artikel moet worden aangemerkt."

In ABRvS, 201000560/1/R3, van 26 januari 2011, ging het om tentoonstellingsgebouwen bij een museum - dit waren mogelijk geurgevoelige objecten: "tentoonstellingsgebouwen - waarvan niet in geschil is dat ze zijn bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf - moeten worden aangemerkt als geurgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wgv omdat ze op een met permanent verblijf vergelijkbare wijze zullen worden gebruikt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 september 2010 in zaak nr. 200909701/1/R1), uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1 van de Wgv valt af te leiden dat niet alleen een permanent verblijf beschermingswaardig is."

VzABRvS, 200902795/5/R3, van 14 oktober 2009: schuur van een boomkwekerij mogelijk geurgevoelig object: "In de bedrijfsgebouwen niet alleen de opslag van bomen zal plaatsvinden, maar daarin ook een kantoor zal worden ondergebracht en dat tevens regelmatig mensen zullen werken in de schuur. Niet onaannemelijk is derhalve dat de bedrijfsbebouwing permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze zal worden gebruikt. Gelet op het voorgaande acht de voorzitter niet zonder meer uitgesloten dat de bedrijfsgebouwen op het terrein [locatie 2] als geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv zullen kunnen worden aangemerkt."

ABRvS, 200801961/1 van 11 maart 2009: werkplaatsen van een houthandel zijn geurgevoelig objecten: "Op het terrein van de houthandel bevinden zich drie werkplaatsen voor houtbewerking. In één van de werkplaatsen bevindt zich tevens een verkoopruimte en een kantoor. Niet in geschil is dat de werkplaatsen op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan zijn toegelaten. Tussen partijen is verder niet in geschil dat per werkplaats minimaal één bij de houthandel werkzame persoon aanwezig is. Gelet hierop zijn de werkplaatsen bestemd, en naar moet worden aangenomen geschikt, voor menselijk verblijf. Verder zijn de werkplaatsen, blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting, ten minste op vijf dagen in de week gedurende acht uur per dag in gebruik. Hieruit volgt dat de werkplaatsen permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. Voor een zodanig gebruik is het - anders dan [appellant] meent - niet noodzakelijk dat gedurende 24 uur per dag personen in de werkplaatsen aanwezig zijn."

ABRvS, 200704080/1 van 11 juni 2008 (RO): buks, kogelvanger en sportvelden geen geurgevoelig object.

Alleen langdurige blootstelling

In ABRvS, 201111498/1/T1/R4 van 13 februari 2013 overweegt de Afdeling dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de Wet geurhinder alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder en merkt op daarmee terug te komen op haar eerdere jurisprudentie: "Anders dan is geoordeeld in onder meer de uitspraken van 1 september 2010 in zaaknr. 200909701/1/R1 en van 11 april 2012 in zaaknr. 201109676/1/A1 overweegt de Afdeling dat uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, waarmee is besloten de term ‘regelmatig' uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19), volgt dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Nu, zoals hiervoor is overwogen, aangenomen moet worden dat niet langdurig in de gebouwen zal worden verbleven, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan ook in zoverre niet voorziet in de realisatie van geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv."

In ABRvS, 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012 kwam de Afdeling tot de conclusie dat een schoonheidssalon een geurgevoelig object was, omdat kortdurende verblijf van klanten ook bescherming verdiende. In het licht van de uitspraak hierboven zou de uitkomst nu geweest zijn dat de schoonheidssalon in kwestie geen geurgevoelig object was.

Geschikt voor menselijk wonen of verblijf

In ABRvS, 201206514/1/A4, 23 oktober 2013 ging het om een voormalige stal, die aanpandig aan een woning zat. Deze voormalige stal aanwezig wordt van de woning gescheiden door een brandmuur. Het perceel waarop de woning en voormalige stal liggen hebben de bestemming wonen. De voormalige stal wordt niet gebruikt voor menselijk verblijf, maar voor opslag. De voormalige stal is ook niet geschikt voor menselijk verblijf. Dat de voormalige stal in de toekomst voor menselijk verblijf geschikt zou kunnen worden gemaakt en daarvoor zou kunnen worden gebruikt, is niet van belang. Zoals de Afdeling eerder, bij uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200905428/1/M2, heeft overwogen, biedt de Wet geurhinder en veehouderij geen grondslag om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen.

In ABRvS, 201002614/1/M2 van 15 december 2010 bestaat een gebouw uit een woongedeelte en opslaggedeelte. Het bevoegd gezag heeft terecht de scheidingsmuur (binnenmuur) als buitenzijde van het geurgevoelig object aangemerkt. "2.6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebouw op het perceel [locatie 3] - waarop tot ná 19 maart 2000 een veehouderij in bedrijf was - twee afzonderlijke gedeelten kent, namelijk een woongedeelte en een opslaggedeelte dat voorheen werd gebruikt als varkensstal. De gedeelten zijn door een binnenmuur fysiek van elkaar gescheiden. Het college heeft onder verwijzing naar onder meer een plattegrond en bouwtechnische gegevens van het gebouw gesteld dat met het woongedeelte de voor het gebouw op grond van het ter plaatse geldende bestemmingplan toegestane maximale woninginhoud nagenoeg is bereikt, zodat moet worden geconcludeerd - zo begrijpt de Afdeling het betoog - dat het opslaggedeelte op grond van het bestemmingsplan niet voor wonen mag worden gebruikt. [appellant] heeft de juistheid van deze stelling niet betwist. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat het woongedeelte blijkens aard, indeling en inrichting ook geschikt is om te worden gebruikt voor wonen en dat het daarvoor ook permanent wordt gebruikt en dat het opslaggedeelte van het gebouw blijkens aard, indeling en inrichting niet geschikt is voor menselijk wonen of menselijk verblijf.
2.6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onder deze omstandigheden de desbetreffende binnenmuur terecht aangemerkt als buitenzijde van het geurgevoelig object aan de [locatie 3] tot waar de minimale afstanden van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder dienen te worden gemeten. [appellant] heeft niet betwist dat, uitgaande van deze muur, aan de afstandseisen wordt voldaan."

Bedrijventerrein als geurgevoelig object

Uitspraak ABRvS, 200709155/1 van 24 december 2008 gaat in op gebouwen op een bedrijventerrein: "..Niet in geschil is dat de gebouwen op het bedrijventerrein ...op grond van het daar geldende bestemmingsplan zijn toegelaten. Gezien de aard van de gebouwen zal per gebouw minimaal één bij het bedrijf werkzame persoon aanwezig zijn. Gelet hierop zijn de gebouwen bestemd, en naar moet worden aangenomen geschikt, voor menselijk verblijf. Verder is onbestreden dat de gebouwen permanent overeenkomstig deze bestemming worden gebruikt. Gelet hierop heeft het college de gebouwen op het bedrijventerrein ... terecht aangemerkt als geurgevoelig objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij."

VzABRvS, 200708994/2 van 23 augustus 2007 (RO). Een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein ligt gedeeltelijk binnen de geurcontour van een veehouderij. De Voorzitter sluit niet uit dat op dit bedrijventerrein sprake zou kunnen zijn van geurgevoelige objecten: "Ter zitting heeft de raad een kaart van de milieudienst overgelegd waarop de invloed van de geurbelasting van veehouderijen in de directe omgeving van het plangebied wordt weergeven. Blijkens deze kaart ligt het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - uit te werken" gedeeltelijk binnen de contour van 3,0 odour units per kubieke meter lucht van veehouderijen. Anders dan de raad heeft betoogd, is de voorzitter er voorshands niet van overtuigd dat bedrijven die zich op basis van het plan ter plaatse kunnen vestigen nooit kunnen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij volgt dat onder een geurgevoelig object mede wordt verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, alsmede dat op voorhand niet is uitgesloten dat een bedrijfsgebouw onder omstandigheden als een zodanig gebouw kan worden beschouwd.

Overig

Een woning bij een akkerbouw of fruitteeltbedrijf is geen woning bij een veehouderij zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid Wgv. Dit komt aan de orde in ABRvS, 200807259/1/M2 van 23 september 2009: "Niet in geschil is dat de woning aan de [locatie 3] onderdeel uitmaakt van een akkerbouw- en fruitteeltbedrijf. Deze woning maakt derhalve geen onderdeel uit van een veehouderij. Gelet hierop heeft het college voor de beoordeling van de geurhinder met betrekking tot de woning aan de [locatie 3] ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij."

Verschillende woningen die samen één woning vormen, worden in zijn geheel beoordeeld. Als één woning een bedrijfswoning is, wordt het geheel als bedrijfswoning aangemerkt. Zie ABRvS , 200806383/1/M2 van 22 juli 2009: "2.2.1. Ter zitting is gebleken dat de woning [locatie 1] en de woning [locatie 2] één woning vormen. Het betreft één pand dat bewoond wordt door vergunninghouder en zijn gezin en een tijdelijke huurder. De Afdeling is van oordeel dat het college de woning in zijn geheel als bedrijfswoning heeft kunnen aanmerken en om die reden [locatie 2], als aparte woning, bij de beoordeling van stankhinder buiten beschouwing heeft kunnen laten. Ter zitting hebben het college en vergunninghouder gesteld dat de woning [locatie 3] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit één woning vormde met de woning [locatie 4]. Dit is door [appellanten] niet weersproken. Het college heeft deze woning derhalve als één woning kunnen aanmerken en om die reden [locatie 3], als aparte woning, bij de beoordeling van stankhinder buiten beschouwing kunnen laten."

Uit ABRvS, 200802497/1 van 28 januari 2009 (RO) volgt dat noch de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft een rol speelt om te bepalen of een gebouw een geurgevoelig object is.


Uw onderwerpen