Vergunning: voorschriften of weigering

Als zij dat willen, kunnen lokale overheden bij vergunningverlening voorzorg toepassen vanwege mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde komen bij geitenbedrijven of bedrijven met relatief veel uitstoot van endotoxinen (pluimvee, varkens) in een gebied met veel veehouderijen bij elkaar.

Het lijkt juridisch mogelijk, dat lokale overheden de uitstoot van endotoxinen reguleren met een vergunningvoorschrift.

Een mogelijk risicovolle vergunningaanvraag voor een veehouderij kan onder voorwaarden geweigerd worden.

Voorschriften endotoxinen

Voor endotoxinen zijn geen landelijke grenswaarden voor toetsing van de omgevingsvergunning milieu vastgesteld. Endotoxinen vormen mogelijk een risico voor de gezondheid van omwonenden. En risico’s voor de gezondheid voor omwonenden moeten worden meegewogen bij het beoordelen van een aanvraag.

Met voorzorg kan het bevoegd gezag eventuele risico’s meewegen in de besluitvorming en het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning milieu.

Het bevoegd gezag bepaalt of en zo ja, welke maatregelen voor endotoxinen nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Daarbij hebben lokale overheden beoordelingsruimte. Het bevoegd gezag is niet verplicht om bij de beoordeling te toetsen aan de advieswaarde voor endotoxinen van de Gezondheidsraad. Dat blijkt uit het oordeel van de Raad van State op 25 juli 2018 (zaaknummers 201706547/1/A1 (Horst aan de Maas) en 201709408/1/A1 (Mill en Sint Hubert)). De Raad van State bevestigde dit op 27 februari 2019 (zaaknummers 201706814/1/A1 (Zundert) en 201709585/1/A1 (Nederweert)).

Een gemeente kan bij het besluit op de vergunningaanvraag regionaal beleid overnemen, maar dat hoeft niet altijd. Een goede motivering van het besluit is erg belangrijk.

Weigeren risicovolle vergunningaanvraag

Leiden voorschriften onvoldoende tot het voorkómen of beperken van de mogelijke risico’s door endotoxinen? Dan is weigeren van de omgevingsvergunning milieu juridisch gezien mogelijk. Maar er moeten zwaarwegende redenen zijn om hiertoe over te gaan, gezien de gevolgen van weigering voor de aanvrager en de onzekerheid van de risico’s. Uiteindelijk is het oordeel van de rechter bepalend.

Is er lokaal of regionaal beleid of een toetsingskader opgesteld? Dan kan dat leiden tot weigering van een risicovolle vergunningaanvraag. Of zelfs vernietiging van een verleende vergunning tot uitbreiding, zo oordeelde de rechtbank van Oost-Brabant op 29 juni 2018,  SHE 16/1400 en SHE 16/1431 (Bergeijk).

Via voorzorg kunnen gemeenten motiveren dat een risicovolle vergunningaanvraag wordt geweigerd. Dat blijkt ook uit enkele uitspraken uit 2019 en 2020 (over geiten en over endotoxinen bij pluimvee en varkens).

Overigens liggen binnen de ruimtelijke ordening in het algemeen meer mogelijkheden voor risicobeperking dan via het weigeren van een omgevingsvergunning milieu. Ook kan het vóórkomen dat via het ruimtelijke spoor (afwijken bestemmingsplan) een omgevingsvergunning beoordeeld (en geweigerd) wordt.

Vergunningvoorschriften fijnstof en ammoniak

Naast vergunningvoorschriften gericht op endotoxinen zijn ook voorschriften voor fijnstof en ammoniak mogelijk.

Voor IPPC-bedrijven kan het bevoegd gezag technieken eisen, die verder gaan dan het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT).

Voor andere vergunningplichtige veehouderijen kan het bevoegd gezag op basis van de Wabo voor fijnstof en ammoniak voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning milieu. Dit kan voor zover deze voorschriften geen verplichtingen opleggen die verder gaan dan landelijke emissie-eisen.

Het Besluit emissiearme huisvesting (Behv) stelt emissie-eisen voor ammoniak (meerdere diercategorieën) en fijnstof (alleen pluimvee vanaf 30 juni 2015). Deze eisen gelden als BBT. Voor andere diercategorieën en oudere stalsystemen kan het bevoegd gezag voor fijnstof zelf BBT vaststellen. Wel is het uitgangspunt dat bij nieuwe technische ontwikkelingen de wetgever het Behv actualiseert. Er is dus sprake van een grijs gebied, waarbij het belangrijk is dat het bevoegd gezag goed motiveert hoe het BBT heeft vastgesteld.

In de BBT-afweging zijn overigens niet alleen de emissiewaarden zelf van belang. Want er zijn ook andere factoren, die de blootstelling of depositie bepalen, zoals de locatie van het emissiepunt, en de hoogte, richting en snelheid van de uitstroom.

De aanvrager kan ook vrijwillig (verdergaande) maatregelen treffen voor fijnstof en ammoniak. Deze maatregelen kunnen in de vergunningvoorschriften vastgelegd worden.