5.4 Geur

5.4.1 Vergistingsproces

De procesonderdelen waarin biogas aanwezig is, dienen gesloten te zijn uitgevoerd. Dit geldt voor de vooropslag, de vergister, de biogasopslag, de warmtekrachtinstallatie, de naopslag, de eventuele extra voorzieningen voor mestscheiding of indamping van de mest en de overige onderdelen van het systeem (leidingennetwerk, besturingsinstallatie).

Het dak van een vergister kan bestaan uit 2 lagen, waarvan de tussenruimte op overdruk wordt gehouden. De verdringingslucht die hierbij vrij komt kan geur bevatten en moet afgezogen en eventueel gereinigd worden om geuremissie te voorkomen. Omdat de installatie gesloten is zal er bij een normale bedrijfsvoering verder geen geuremissie plaatsvinden. Om geuremissie te voorkomen is het een aandachtspunt dat bij onderhoud gecontroleerd wordt of de aanwezige watersloten bijgevuld moeten worden.

5.4.2 Op- en overslag van co-substraat en mengruimte

Gedurende de opslag van co-substraat kunnen de organische materialen onder invloed van temperatuur en tijd gaan broeien en fermenteren. Bij de opgeslagen co-substraten kunnen geuremissies ontstaan die tot overlast kunnen leiden.

Factoren die een rol spelen bij het ontstaan van geuremissies zijn:

  • de aard van de aangevoerde co-substraten;
  • de mate van versheid van de aangevoerde co-substraten;
  • de omvang van de opslag van het co-substraat;
  • de verblijftijd in de opslagplaats;
  • de mate van afscherming naar de buitenlucht.

Toevoer van vloeibare co-vergistingsproducten kan plaatsvinden vanuit de vacuümtank van een vrachtwagen of vanuit een stationaire opslagtank, die in een gesloten systeem is aan te sluiten op een vergistingstank voorzien van adequate aan- en afsluitsystemen. Hiermee kan de emissie afkomstig van het co-substraat (geur) en emissies afkomstig van de vergister (geur, zwavelwaterstof en ammoniak) worden voorkomen.

Bij co-substraten met een hoog drogestofgehalte zoals gras kan het co-vergistingsproduct in een voormenginstallatie met vloeibare mest worden vermengd en versneden zodat het co-substraat kan worden verpompt naar de vergistingstank. Met deze techniek wordt de emissie van geur en ammoniak eveneens voorkomen.

Andere mogelijkheden zijn het inbrengen van co-substraten met een vijzel door de wand van de vergister tot onder het niveau van de mest of het batchgewijs toevoegen van co-substraten met een zuigerinstallatie onderin de vergistingstank. In beide gevallen kunnen er geen gassen/emissies vanuit de tank optreden.

Bij sommige installaties wordt bij het toevoegen van co-substraat aan het vergistingsproces de vergistingstank kortstondig geopend. Aan de opening van de tank (binnenzijde) is rondom een rok aangebracht die reikt tot onder het niveau van het te vergisten materiaal in de tank. Hierdoor worden emissies van biogas, ammoniak en geuremissies beperkt. Indien de op- en overslag van de co-substraten op deze wijze plaatsvindt dan is aan te bevelen deze werkzaamheden in een gesloten op- en overslagruimte plaats te laten vinden, zodanig dat eventuele emissies gecontroleerd en gefilterd naar de buitenlucht kunnen worden afgevoerd. Dit kan worden bewerkstelligd door het creëren van een onderdruk in de op- en overslagruimte. De afgezogen lucht wordt vervolgens via een actief koolfilter, biofilter of andere techniek afgevoerd naar de buitenlucht of kan worden afgevoerd naar de warmtekrachtinstallatie. De keuze voor deze voorziening is gerelateerd aan het voorkomen van milieubelasting in relatie tot de kosten.

Uit de aanvraag van de vergunning moet blijken welke materialen worden co-vergist en hoe deze stoffen worden toegevoegd aan de te vergisten mest. Dit maakt het mogelijk om bij specifieke stromen nadere eisen te stellen om eventuele geuremissie te voorkomen. De nadere eisen kunnen zowel technisch van aard zijn als betrekking hebben op de te volgen werkwijze en procedures bij het bedienen van de (co-)vergistinginstallatie. Verdere beoordeling van geur vindt plaats volgens de Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht.

5.4.3 Hygiënisatie

In de bijproductenregelgeving (zie paragraaf 3.5) wordt voorgeschreven dat onder andere zuivel en resten van voedingsmiddelen voor of na de vergisting een hittebehandeling ondergaan om ziektekiemen te doden. Bij deze behandeling kan emissie van geur vrijkomen, die in principe op dezelfde manier behandeld kan worden als de geurbronnen in 5.4.2.

5.4.4 Warmtekrachtinstallatie

De rookgassen van de warmtekrachtinstallatie zijn ook een geurbron. Dit is een ander soort geur dan de andere mogelijk bronnen. Als er geurproblemen ontstaan door rookgassen ligt dat vaak aan slechte verspreiding van de "natte pluim" uit de afvoerleiding. De filtertechnieken die kunnen worden toegepast voor de geur van de mengruimte en de hygiënisatie zijn niet geschikt voor deze geurbron. Een oplossing voor geurproblemen door rookgassen kan eerder zijn het verplaatsen of hoger afvoeren van de afvoerleiding.


Uw onderwerpen