5.6 Luchtkwaliteit

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag moet nagegaan worden of de activiteiten binnen de inrichting gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. Op basis van Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer dienen bestuursorganen bij de uitoefening van haar bevoegdheden de grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht te nemen.

Bij die beoordeling moeten emissies van een vergistingsinstallatie en toebehoren worden meegenomen. Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat van de bovengenoemde verbindingen alleen een significante emissie te verwachten is van NOx bij de warmtekrachtinstallatie. De overige emissies zijn over het algemeen niet in betekenende mate (NIBM).

Bij een luchtkwaliteitsberekening zal wel het effect van de verkeersbewegingen voor aanvoer van co-substraat moeten worden meegenomen.


Uw onderwerpen