5.8 Externe veiligheid

Voor de opslag van biogas in een gasreservoir bij een lichte overdruk (van 0,1-0,3 bar) moeten veiligheidsafstanden worden aangehouden. Voor de veiligheidsafstanden wordt geadviseerd aan te sluiten bij het RIVM-rapport Veiligheid grootschalige productie van biogas (RIVM, 2010) en het document Effect- en risicoafstanden bij de opslag van biogas (RIVM, 2008). Voor toepassing van deze documenten wordt onderscheid gemaakt naar de omvang van de biogasopslag.

a) Inrichtingen met biogasopslag tot en met 4.000 kubieke meter

Voor biogasopslag tot 4.000 kubieke meter (met een H2S-gehalte onder 1%) is in normale omstandigheden een veiligheidsafstand van 50 meter voldoende, gerekend vanaf het midden van de biogasopslag. Dit is dezelfde afstand die ook geadviseerd wordt bij zonering in het bestemmingsplan. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen liggen. Indien mogelijk moet ernaar gestreefd worden dat binnen die afstand ook geen beperkt kwetsbare objecten liggen, zeker bij oprichting van een nieuwe installatie. Ook moet ernaar gestreefd worden dat de PR 10-6 contour niet buiten de grens van de inrichting komt te liggen. Overigens ligt het ook niet voor de hand binnen de risicocontour interne nevenactiviteiten met een verblijfsfunctie uit te voeren, zoals een boerengolf of een camping, en zou ernaar gestreefd moeten worden de bedrijfswoning ook buiten de contour te houden.

In de omgeving van de biogasopslag dienen ontstekingsbronnen zoveel mogelijk te worden geweerd. Verder verdient het aanbeveling vrijstaande reservoirs tegen externe belasting (aanrijding of scherpe voorwerpen) te beschermen, bijvoorbeeld door middel van een hekwerk of een andere gelijkwaardige voorziening. Een in een gistingstank aangebracht reservoir is hier al voldoende tegen beschermd. Opstelling van een gasreservoir in een afgesloten ruimte kan leiden tot explosie-effecten. Dergelijke opstellingen worden afgeraden. Tenslotte wordt afgeraden een gasreservoir in de directe nabijheid van de terreingrens op te stellen.

De inrichtinghouder moet voldoende aandacht hebben voor het risico van zwavelwaterstof (H2S). Bij normale procesvoering wordt zwavelwaterstof verwijderd voor verbranding in de WKK, en komt geen zwavelwaterstof vrij. Bij incidenten kan biogas vrijkomen dat niet vrij is van zwavelwaterstof. Door de hoge giftigheid kan het zwavelwaterstof bij die incidenten slachtoffers maken. Dat is vooral een intern (ARBO) risico, maar ook externe effecten zijn niet uit te sluiten. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat zwavelwaterstof aanwezig is, moeten minimaal de volgende maatregelen genomen worden:

  1. Bij ontwerp van de installatie moet worden gespecificeerd welk H2S-gehalte verwacht wordt, en welke maatregelen getroffen worden om het H2S-gehalte zo laag mogelijk te houden.
  2. Onderdeel van de maatregelen moet minimaal zijn dat in de vergistingstank ontzwaveling wordt toegepast. Technieken die daarvoor in aanmerking komen zijn oxydatie van H2S tot elementair zwavel door beluchting, precipitatie door het toevoegen van een ijzerzout, zoals ijzer(III)chloride of ijzerwater (opgenomen in categorie F van bijlage Aa onderdeel IV van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet) of een maatregel met eenzelfde effect. Daarbij moet verzekerd zijn dat zolang het vergistingsproces loopt, er altijd ontzwaveld wordt, ook bij storingen of incidenten.
  3. Zwavelwaterstof wordt gevormd bij de anaërobe afbraak van zwavelhoudende stoffen. De vorming van zwavelwaterstof kan worden voorkomen door zo min mogelijk zwavelhoudende stoffen toe te voegen. Bij de selectie van co-substraten moet er aandacht zijn voor het zwavel­gehalte van de co-substraten. Co-substraten met een relatief hoog zwavelgehalte zoals koolsoorten en eiwitrijk materiaal moeten gedoseerd worden toegevoegd.

b) Inrichtingen met een totale biogasopslag groter dan 4.000 kubieke meter

Voor biogasopslagen groter dan 4.000 kubieke meter moeten ten minste de voorzieningen en eisen worden toegepast die voor de kleinere opslagen gelden (zie hierboven onder a). Bij grotere opslagen kan een grotere veiligheidsafstand nodig zijn. Koppeling met een agratrische inrichting ligt dan niet meer voor de hand.

Bovendien wordt bij grotere opslagen het H2S-gehalte nog bepalender. Bij grotere biogasopslagen waar het H2S-gehalte op zou kunnen lopen tot boven 1% kan het Besluit risico's zware ongevallen van toepassing zijn, zie het RIVM-rapport Veiligheid grootschalige productie van biogas (RIVM, 2010). Inrichtingen van deze omvang moeten kunnen aantonen dat het H2S-gehalte niet boven deze waarde uitkomt of voldoen aan de eisen uit het Besluit risico's zware ongevallen.


Uw onderwerpen