Transport vergistingsgas

Als het vergistingsgas via een leiding vanaf het perceel wordt getransporteerd, moeten aanvullende eisen worden gesteld aan het gehalte ammoniak en het dauwpunt. Het vergistingsgas moet maandelijks bemonsterd en geanalyseerd worden. Als blijkt dat de gehaltes te hoog zijn, zijn maatregelen nodig.

Condensvorming

Het geproduceerde vergistingsgas bevat een hoog gehalte aan waterdamp. Door afkoeling van het relatief warme gas uit de vergistingstank treedt in de leidingen (vooral bij transport over lange afstanden) condensatie van waterdamp op. Om het risico van condensvorming in de leidingen te voorkomen, moet het gas niet te veel vocht bevatten. Bij een dauwpunt van ten hoogste min drie graden Celsius en een druk van 8 bar is het gas in ieder geval voldoende ontvochtigd.

Voorschrift: grenswaarde ammoniak
1. Als vergistingsgas via een leiding naar een andere locatie wordt getransporteerd, is:
a. het gehalte ammoniak in het vergistingsgas niet meer dan 15 mg/Nm3 in een eenmalige meting, en
b. het dauwpunt niet meer dan -3 °C bij een druk van 8 bar.
2. Bij het punt waar het vergistingsgas in de leiding wordt gebracht, wordt het vergistingsgas bij ingebruikname en maandelijks bemonsterd waarbij het gehalte ammoniak en het dauwpunt bij een druk van 8 bar wordt geanalyseerd.
3. De resultaten van de analyses worden ten minste vijf jaar bewaard.