Bevoegd gezag

In de meeste gevallen is de gemeente het bevoegd gezag bij het bewerken of verwerken van mest. De provincie kan alleen het bevoegd gezag zijn als zij zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht én er sprake is van een IPPC-installatie. Dit kan het geval zijn bij het vergisten, composteren en verbranden van dierlijke mest.

Vergisten en composteren

De provincie is bevoegd gezag als bij een installatie voor het vergisten of composteren van mest wordt voldaan worden aan de volgende twee voorwaarden:

  • Er is sprake van het bewerken of verwerken van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit van 25.000 m3 per jaar of meer (cat. 7.4, bijlage I, onderdeel C, Besluit omgevingsrecht)
  • Er is sprake is van een installatie met een capaciteit van meer dan 75 t per dag voor aerobe vergisting en compostering en 100 t per dag voor anaërobe vergisting (cat. 5.3 onder b, bijlage I, Richtlijn Industriële Emissies (RIE, 2010/75/EU)

Het vergisten of composteren van mest kan namelijk worden gezien als het nuttig toepassen, of een combinatie van het nuttig toepassen en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen. Hiervoor geldt cat.5.3b, i (biologische behandeling) van bijlage I van de Richtlijn Industriële Emissies.

Verbranden van mest

De provincie is bevoegd gezag als bij een installatie voor het verbranden van mest wordt voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

  • Er is sprake van het verbranden van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen (cat. 28.4, onder e, onder 2, bijlage I, Besluit omgevingsrecht)
  • Er is sprake van een installatie met een capaciteit van meer dan 3 t per uur (cat. 5.2 onder a, bijlage I, Richtlijn Industriële Emissies (RIE, 2010/75/EU)

Het verbranden van mest kan namelijk worden gezien als het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties . Hiervoor geldt cat.5.2a van bijlage I van de Richtlijn Industriële Emissies.

N.B. Het bevoegd gezag wordt bepaald door alle activiteiten van een inrichting. Als voor verbranden, vergisten of composteren niet aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan kunnen andere activiteiten binnen de inrichting er voor zorgen dat de provincie toch bevoegd gezag wordt.

Achtergronden

Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning milieu is meestal de gemeente. De Gedeputeerde Staten zijn het bevoegd gezag voor een inrichting als aan twee voorwaarden wordt voldaan (artikel 3.3. lid 1, Besluit omgevingsrecht):

  1. het Besluit omgevingsrecht (Bor) wijst in Bijlage I, onderdeel C de Gedeputeerde Staten aan als bevoegd gezag;
  2. in de inrichting staat een IPPC-installatie of de inrichting is een BRZO-bedrijf.

N.B. Een BRZO-bedrijf in relatie met mestbe- en verwerken komt niet voor.

Ad 1) Bijlage I, onderdeel C Bor

In categorie 7.4 van bijlage I, onderdeel C van het Bor worden de Gedeputeerde Staten aangewezen als bevoegd gezag als sprake is van het bewerken of verwerken van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit van 25.000 m3 per jaar of meer. Hierbij wordt geen onderscheidt gemaakt tussen de verschillende vormen van bewerken en verwerken van mest.

In categorie 28.4 van bijlage I, onderdeel C van het Bor worden de Gedeputeerde Staten aangewezen als bevoegd gezag als er sprake is van het verbranden van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen.

Ad 2) IPPC-installatie

Een IPPC-installatie (art. 1.1 Wabo) is een installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van de Europese Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU) (RIE). In deze bijlage van de RIE staan geen installaties specifiek gericht op mestbe- of verwerking. Er staan wel installaties genoemd voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen. Deze installaties kunnen door de reikwijdte van de definitie van “afvalstof” in artikel 3, onder 37 van de RIE, ook betrekking hebben op het vergisten, composteren of verbranden van mest. (definitie afvalstof: “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”).

Vergisten en composteren van dierlijke meststoffen

Het vergisten of composteren van mest kan gezien worden als een nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen. Hiervoor geldt categorie 5.3b van bijlage I van de RIE:

"Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:
i) biologische behandeling;
ii)....
De behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de maximale capaciteit voor deze activiteit 100 t per dag."

Verbranden van dierlijke meststoffen

Het verbranden van mest kan gezien worden als verwijdering of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties. Hiervoor geldt categorie 5.2a van bijlage I van de RIE:

"De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:
a) ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 t per uur;"

Bepaling drempelwaarde in de Richtlijn industriële emissies
In het kader van de RIE is de capaciteit van installatie bepalend. Het is niet relevant of de dierlijke mest (en de eventuele andere reststoffen) van de eigen inrichting of van buiten de inrichting afkomstig is.