Bij welke besluiten toets je fijnstof?

Toetsen van de blootstelling

Een luchtkwaliteitstoets is voor een veehouderij alleen nodig bij het verlenen van een van de volgende vergunningen:

  • Omgevingsvergunning milieu
  • Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM)

Daarnaast ook bij het vaststellen van een nieuw of gewijzigd bestemmingsplan.

Een toets is dus niet nodig voor meldingsplichtige veehouderijen (Activiteitenbesluit type B). Tenzijdeze een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets aan moeten vragen of als het bestemmingsplan procedureel wijzigt

Toegelicht: Omgevingsvergunning milieu

Een beperkt aantal veehouderijen heeft een omgevingsvergunning milieu nodig. De omgevingsvergunning milieu vraagt de veehouder aan volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt of de inrichting een omgevingsvergunning milieu nodig heeft. Die is bijvoorbeeld nodig voor:

  • veehouderijen die onder de Europese Richtlijn industriële emissies (RIE) vallen (zogeheten "IPPC-installaties")
  • nertsenhouderijen en veehouderijen met grote aantallen dieren
  • veehouderijen die door het ministerie zijn aangewezen als vergunningplichtig, omdat ze een overschrijding voor fijnstof (dreigen te) veroorzaken. De minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) publiceert elk jaar een lijst met deze veehouderijen.

Er kunnen nog andere redenen zijn voor de plicht tot een omgevingsvergunning milieu bij veehouderijen. Nevenactiviteiten zoals mestvergisting kunnen ook tot een vergunningplicht leiden. Wanneer een vergunning nodig is, leest u elders op de website van InfoMil.

Een toets aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer is altijd verplicht bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu. Voor intensieve veehouderijen is (meestal) alleen de toets aan de luchtkwaliteitseisen voor fijnstof (PM10) van belang. In de vergunning kunt u – weliswaar heel beperkt- voorschriften opnemen over fijnstof.

Toegelicht: Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM)

De meeste veehouderijen hebben geen omgevingsvergunning milieu nodig. Zij vallen volledig onder het Activiteitenbesluit. Dit zijn de zogenaamde type B-bedrijven van het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit en bijbehorende Activiteitenregeling staan de milieu-eisen voor een type B-bedrijf.

Meer over het Activiteitenbesluit en agrarische bedrijven leest u hier.

Sommige type B-veehouderijen moeten een OBM aanvragen door hun invloed op de fijnstof concentraties. De OBM is een Wabo-vergunning. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) staat wanneer een OBM nodig is. Een OBM fijnstof is nodig bij bepaalde aantallen dieren – er gelden drempelwaarden. Deze drempelwaarden voor een OBM fijnstof staan in artikel 2.2a lid 4 van het Bor. Een vergunningplichtige veehouderij (ook wel type C inrichting) hoeft nooit een fijnstof-OBM te hebben.

De toets voor fijnstof is voor de OBM hetzelfde als voor de omgevingsvergunning milieu. Er is maar een klein verschil. Bij de OBM fijnstof toetst het bevoegd gezag alleen voor fijnstof (als PM10) en niet andere luchtkwaliteitseisen van de Wm. Dit volgt uit artikel 5.13b van het Bor. Ook voor PM2,5 vraagt de initiatiefnemer geen OBM aan. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden. Ze weigert de OBM als uit de toets blijkt dat de aanvraag niet aan een van de voorwaarden uit artikel 5.16 van de Wm voldoet.

Naast de fijnstof-OBM is er ook een m.e.r.-OBM voor milieueffectrapportage. Deze m.e.r.- OBM wordt niet aan de luchtkwaliteitseisen getoetst. In de m.e.r.-beoordeling zelf kan het bevoegd gezag de invloed van de veehouderij op de fijnstof concentraties soms wel meewegen.

Lees meer over de OBM en de wijze waarop het verlenen ervan in zijn werking gaat.

Bestemmingsplanwijziging

Ook voor het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan is een luchtkwaliteitstoets nodig. Dit geldt vooral als de vergunning de vestiging of uitbreiding van een veehouderij mogelijk maakt. Deze handreiking gaat hier niet op in, maar u kunt de informatie wel gebruiken voor deze toets.

Let wel op dat na planwijziging sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij omliggende bestemmingen. Dit houdt meer in dan alleen een toets aan de luchtkwaliteitseisen. Lees meer hierover op de website van InfoMil.

Toetsen aan de BBT

Daarnaast moet een veehouder de Beste Beschikbare Technieken (BBT) toepassen voor de reductie van de fijnstof uitstoot. Voor nieuwe veehouderijen en bij vervanging of uitbreiding van dierenverblijven gelden vanaf 1 augustus 2015 emissie-eisen uit het Besluit emissiearme huisvesting. Meer informatie vindt u onder het kopje Beste Beschikbare Technieken.