Lijst vergunningplichtige veehouderijen

Sommige veehouderijen veroorzaken een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor fijnstof op een gevoelig object. Deze veehouderijen zijn in bijlage I, onderdeel B onder 2 van het Besluit omgevingsrecht aangewezen als vergunningplichtig.

Lijst vergunningplichtige veehouderijen 2019

De lijst met vergunningplichtige veehouderijen door fijnstof van 2019 staat op de website rijksoverheid.nl. Bij het opstellen van de lijst is uitgegaan van de meest recente invoergegevens die gemeenten en provincies hebben aangeleverd voor de Monitoring NSL.

De kennisgeving van deze lijst is te vinden in de Staatscourant van 20 december 2019, nummer 66914. Deze lijst met inrichtingen komt in de plaats van de lijst waarvan is kennisgegeven in de Staatscourant van 28 december 2018, nummer 71303.

Vergeleken met de lijst van december 2018 zijn 4 veehouderijbedrijven van de lijst afgevoerd en 20 nieuwe veehouderijbedrijven toegevoegd.

Achtergrond lijst

Op de lijst staan bedrijven die zelfstandig een overschrijding van de grenswaarden veroorzaken of dreigen te veroorzaken. Door de vergunningplicht heeft het lokale bevoegd gezag meer juridische mogelijkheden om voorschriften te stellen aan de fijnstof uitstoot van die veehouderijen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft beoordeeld of een veehouderijbedrijf bijdraagt aan een overschrijding van de grenswaarden voor fijnstof. Zij gebruikt daarvoor de gegevens zoals door overheden aangeleverd bij de jaarlijkse monitoring NSL. Zij heeft daarbij de manier van toetsing gebruikt die gemeenten ook gebruiken in het kader van de vergunningverlening.

Op de lijst staan bedrijven die zelfstandig een overschrijding van de grenswaarden veroorzaken of dreigen te veroorzaken. Door de vergunningplicht heeft het lokale bevoegd gezag meer juridische mogelijkheden om voorschriften te stellen aan de fijnstof uitstoot van die veehouderijen.

Gevolgen voor vergunningplicht van bedrijven

Bedrijven die op de lijst staan en die al vergunningplichtig waren, blijven dat. Deze bedrijven waren al vergunningplichtig omdat ze (ook) al op een oudere lijst stonden en/of omdat ze een IPPC-bedrijf zijn. Voor deze bedrijven verandert er niets rond hun vergunningplicht.

Is een veehouderij niet om een andere reden vergunningplichtig, dan heeft de lijst mogelijk consequenties. Het gaat daarbij om:

  • Veehouderijen die wel op de lijst van vorig jaar, maar niet op de nieuwste lijst staan. Deze veehouderijen vallen sinds 1 januari 2016 geheel onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Meer informatie: Activiteitenbesluit en veehouderijen en het Activiteitenbesluit en overgangsrecht.
  • Als een veehouderij voor het eerst op de lijst staat én geen IPPC-bedrijf is dan wordt deze locatie per 1 januari van het jaar na publicatie van de lijst een vergunningplichtig bedrijf (type C). Dit terwijl het vóór opname op de lijst een type B bedrijf was. Dit houdt in dat het bedrijf een vergunning moet hebben om in werking te zijn. Volgens artikel 8.1 van de Wabo blijven de regels van het Activiteitenbesluit in elk geval nog gelden tot 12 weken na de kennisgeving van de lijst. Als de inrichtinghouder binnen deze termijn een omgevingsvergunning milieu aanvraagt, blijven de regels van het Activiteitenbesluit vervolgens nog gelden tot acht weken nadat die vergunning in werking is getreden.

Wat moet er gebeuren

Om te voorkomen dat een 'illegale' situatie ontstaat, is het belangrijk dat de veehouder tijdig een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu indient. Tijdig is: binnen 12 weken na bekendmaking van de lijst vergunningplichtige inrichtingen.

In principe zijn alle gegevens al in het bezit van het bevoegd gezag (vergunningaanvraag of melding). De inrichtinghouder hoeft in principe geen nieuwe gegevens aan te leveren. Dit geldt alleen als de inrichting in bedrijf is conform de laatst ingediende melding. Als er sinds die laatste melding wel iets veranderd is, heeft het bevoegd nieuwe gegevens nodig. De inrichtinghouder moet deze gegevens meesturen bij de vergunningaanvraag.

Het bevoegd gezag kan de vergunning (bij ongewijzigd voortzetten van het bedrijf) verlenen op basis van de rechten die voortkomen uit het overgangsrecht van het Activiteitenbesluit (6.24r en s, "bestaande rechten"). Bij wijziging van activiteiten is uiteraard toetsing aan de Wav en de Wgv nodig.

Het voorschriftenpakket van de nieuwe omgevingsvergunning omvat geen voorschriften die al geregeld zijn in het Activiteitenbesluit. U kunt deze checklist (doc, 27 kB) gebruiken als hulpmiddel bij het bepalen welke voorschriften nog in de omgevingsvergunning milieu moeten worden opgenomen. Ook de pagina's over systematiek, onderdelen IPPC en veehouderijen.

Het opnieuw moeten aanvragen van de omgevingsvergunning biedt de veehouder kans om maatregelen ter beperking van de fijnstof emissie te nemen. U kunt daarover als bevoegd gezag met de veehouder in (voor)overleg gaan. Er zijn een aantal zaken die u hierbij kunt gebruiken:

  • Het Besluit emissiearme huisvesting met maximale emissiewaarden voor fijnstof. Dit besluit vervangt het oude besluit huisvesting en is sinds 1 augustus 2015 van kracht.
  • Artikel 5.4, 2e en 3e lid, van het Besluit omgevingsrecht. Wanneer er geen BBT documenten voorhanden zijn, stelt het bevoegd gezag zelf BBT vast. Hiervoor is een motivering nodig rekening houdend met de in het 3e lid genoemde aspecten. Zie ook de pagina BBT in de Handreiking fijnstof bij veehouderijen. De jurisprudentie laat zien dat voor niet-IPPC-bedrijven aan de vereiste van BBT 'automatisch' invulling is gegeven als voldaan wordt aan het Besluit emissiearme huisvesting.