Toetsing van fijn stof bij veehouderijen

Binnenzijde stal

Eisen in het Activiteitenbesluit

Het Activiteitenbesluit stelt eisen aan inrichtingen om de gevolgen van de uitstoot van fijn stof te voorkomen of verminderen.

Veehouderijen zijn een belangrijke bron van fijn stof (PM10 , dat wil zeggen tot 10 micrometer). Daarvoor staan luchtkwaliteitsnormen in de Wet milieubeheer.

Het Activiteitenbesluit verdeelt veehouderijen in drie groepen.

1. Veehouderijen die een (dreigende) overschrijding veroorzaken op een gevoelig object

Deze veehouderijen zijn aangewezen als vergunningplichtig (type C). Welke veehouderijen zo'n (dreigende) overschrijding veroorzaken, is te vinden op een lijst. Dit is de lijst vergunningplichtige inrichtingen voor het houden van landbouwhuisdieren. De minister van Infrastructuur en Milieu stelt deze lijst jaarlijks op (bijlage 1 onderdeel B van het Besluit omgevingsrecht). De minister gebruikt daarvoor gegevens uit de jaarlijkse monitoring.

Als een ondernemer zo'n veehouderij (die op de lijst staat) wil veranderen of uitbreiden, moet hij daarvoor een omgevingsvergunning milieu aanvragen. Het bevoegd gezag toetst in deze vergunning aan de normen voor luchtkwaliteit of aan Niet in betekenende mate (NIBM). Het bevoegd gezag kan hiervoor de Handreiking fijn stof en veehouderij gebruiken.

Daarnaast zijn er type C-veehouderijen (die dus een omgevingsvergunning milieu nodig hebben), die niet op de lijst van het ministerie staan. De fijn stof-toets gaat met de omgevingsvergunning milieu.

2. Veehouderijen die een effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit

Van een deel van de veehouderijen is niet bij voorbaat te voorspellen of een oprichting of uitbreiding geen of weinig effect heeft op de luchtkwaliteit. Daarom is er een toets voor deze groep veehouderijen, de Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) fijn stof. Hierin toetst het bevoegd gezag of de oprichting of uitbreiding inderdaad een gering effect heeft op de luchtkwaliteit (Niet in betekenende mate, NIBM) of geen overschrijding van de grenswaarden geeft. Het bevoegd gezag kan ook hier de Handreiking fijn stof en veehouderij gebruiken. De veehouder krijgt de OBM alleen, als de oprichting (of uitbreiding) ten opzichte van de aanwezige situatie NIBM is of geen overschrijding van de grenswaarden veroorzaakt.

Een OBM fijn stof is nodig bij bepaalde dierenaantallen. Artikel 2.2 lid 4 Besluit omgevingsrecht geeft aan, wanneer een OBM voor fijn stof nodig is.

Let op: als de veehouderij om een of andere reden omgevingsvergunning milieu nodig heeft (een type C-bedrijf), is de OBM fijn stof nooit van toepassing. De OBM fijn stof gaat niet samen met een omgevingsvergunning milieu. Voor zulke veehouderijen gaat de toets met de omgevingsvergunning milieu.

3. Veehouderijen die geen of maar weinig effect hebben op de luchtkwaliteit

Omdat deze veehouderijen niet of nauwelijks een effect hebben op de luchtkwaliteit, stelt het Activiteitenbesluit geen verdere regels. Dit zijn alle veehouderijen die niet op de lijst staan en die geen OBM hoeven aan te vragen.

Meldingsgegevens

Voor de toetsing aan fijn stof moet de veehouder in de melding extra gegevens aanleveren (art. 1.19 Activiteitenbesluit). Alleen de veehouderijen die ook een OBM voor fijn stof moeten aanvragen, moeten ook deze extra gegevens aanleveren. Het zijn inputgegevens voor het rekenmodel om de fijn stof verspreiding te berekenen.

Voorschriften in het Activiteitenbesluit

Het Activiteitenbesluit bevat in paragraaf 3.5.8 voorschriften voor fijn stof. Het zijn voorschriften voor luchtwassers en de verplichting om zich aan de stalbeschrijving (leaflet) te houden.