Hoe beoordeel ik ammoniak en geur van dieren die tijdelijk aanwezig zijn, zoals in ziekenboegen, afleverruimtes?

Vraag

Hoe tellen ruimtes waar dieren tijdelijk aanwezig zijn, mee voor de beoordeling van ammoniak en geur?

Antwoord

Hieronder vindt u een overzicht van jurisprudentie voor de beoordeling van ammoniak en geur van tijdelijke verblijven van dieren. Agrarische bedrijven hebben vaak ruimtes waar dieren tijdelijk verblijven. Bijvoorbeeld een ziekenboeg, een afleverruimte of een binnenbak. Tellen deze ruimtes mee voor het bepalen van het hokoppervlak? Tellen ze mee voor de afstandsmeting? Deze en andere vragen krijgen hieronder het antwoord.

Ammoniak

De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zegt: meten vanaf de uiterste rand van het dierenverblijf. De Raad van State concludeerde dat een ziekenboeg een stal is waarin (zieke) dieren worden gehouden, ABRvS, 200201107/1, 2 oktober 2002, Wierden. Een ziekenboeg is een dierenverblijf en moet worden meegenomen in de afstandsmeting.

Bepalen hokoppervlak

Voor het berekenen van het hokoppervlak (wat gevolgen kan hebben voor de geldende emissiefactor voor ammoniak) hoeven de dieren in de ziekenboeg niet apart te worden meegeteld. Dit blijkt uit ABRvS, 200100209/1, 7 november 2001, Didam, JM 2002-1/7. De vraag was of het hokoppervlak in dit geval meer of minder dan 0,8 vierkante meter per dier was. Volgens appellanten moest voor het berekenen van het hokoppervlak ook het hokoppervlak van de ziekenboeg worden meegenomen. De Raad van State oordeelde dat dit terecht niet was gedaan. Het ging om het oppervlak van de afdelingen in de stallen. Zie ook de uitspraak 200405421/1, 9 februari 2005, Oirschot. Gelet op de omstandigheid dat zieke dieren slechts tijdelijk in de ziekenboeg worden geplaatst en na genezing weer naar hun hok terugkeren, is de ziekenboeg niet bedoeld voor reguliere huisvesting en zijn de varkens in de ziekenboeg al meegerekend voor het bepalen van de ammoniakemissie. De ziekenboeg hoeft niet te worden meegenomen in het bepalen van het emitterend oppervlak voor de varkens.

Berekenen ammoniakemissie

De dieren in de ziekenboeg hoeven niet te worden meegeteld voor het berekenen van de ammoniakemissie van het bedrijf. Dit blijkt eveneens uit bovengenoemde uitspraak in Didam. In de ziekenboeg worden alleen dieren gehouden die normaliter in de afdelingen verblijven. Na genezing keren de dieren weer terug naar hun hok. Met deze dieren is bij de emissieberekening reeds rekening gehouden zodat ze niet nogmaals apart hoeven te worden meegeteld.

In ABRvS, 200101052/1, 28 december 2001, Epe, op te vragen bij de Raad van State, niet gepubliceerd, kwam de Afdeling tot hetzelfde oordeel maar met een andere redenering. De dieren in de ziekenstal lagen op een traditioneel systeem met stro. Normaal gesproken staan de dieren in Groen-Labelstallen. Er was geen mestkelder aanwezig en de mest, waarvan de hoeveelheid geringer zal zijn dan van gezonde dieren, wordt samen met het stro dagelijks uit de stal verwijderd. Gelet op het zeldzame en beperkte gebruik van de ziekenstal, het feit dat de mest dagelijks wordt verwijderd en de lagere voeropname van de zieke dieren zal een eventuele verhoging van de ammoniakemissie gering zijn. De dieren hoefden niet nog een keer te worden betrokken in de ammoniakemissieberekening.

In ABRvS, 200000896/1, 29 augustus 2001, Swalmen, M&R 2001-12/254K, oordeelde de Raad van State anders. In dat geval moest de ziekenboeg wél worden meegenomen voor de berekening van ammoniakemissie en depositie. De ziekenboeg was niet uitgevoerd als een Groen-Labelstalsysteem. Dat in onderhavige zaak in de ziekenboeg slechts plaats is voor een gering aantal dieren maakt dit thans niet anders.

De jurisprudentie hierover vertoont dus niet één lijn.

In ABRvS 200907569/1/R2, 29 september 2011 bepaalde de Raad van State dat een binnenrijhal geen dierenverblijf is als bedoeld in art. 1 Wav, aangezien deze niet dient voor het houden van dieren, maar voor het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's dan wel het anderszins beoefenen van de paardensport gedurende een beperkte tijd per dag.

In ABRvS 201105329/1/A4, 14 november 2012 werd een calamiteitenruimte terecht niet betrokken bij toetsing aan de Wav. "In de aanvraag is vermeld dat stal 4 een zeugenstal is die niet meer wordt gebruikt voor permanent gebruik. Blijkens het bestreden besluit maakt de aanvraag deel uit van dat besluit. In voorschrift X.1 van de vergunning is bepaald dat in de calamiteitenruimte, stal 4, geen enkele activiteit met betrekking tot het regulier huisvesten van dieren mag plaatsvinden. In voorschrift X.2 is bepaald dat wanneer zich een calamiteit voordoet de vergunninghouder hiervan onmiddellijk melding moet doen bij het bevoegd gezag. Indien met de melding kan worden ingestemd stelt het bevoegd gezag door middel van een nadere eis voorschriften waaronder de gemelde activiteit mag plaatsvinden. Deze voorschriften worden voor de gestelde periode gekoppeld aan de milieuvergunning. Ter toelichting op deze voorschriften is opgemerkt dat de calamiteitenstal bedoeld is voor het tijdelijk huisvesten van dieren tijdens een noodsituatie, bijvoorbeeld het niet af kunnen leveren van dieren tijdens een periode met een vervoersverbod. Van geval tot geval beoordeelt het bevoegd gezag of dit, in afwijking van de milieuvergunning, kan worden toegestaan. Zonder toestemming mogen in de calamiteitenruimte geen dieren worden gehouden en mag geen mest worden opgeslagen. Op de tekening behorende bij de aanvraag is aangegeven dat de roosters zijn afgedekt en het hekwerk is verwijderd waardoor de ruimte niet direct kan worden gebruikt.
Gelet op het voorgaande staat voor de Afdeling vast dat de calamiteitenruimte uitsluitend in uitzonderlijke situaties wordt gebruikt. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat dit geen dierenverblijf in de zin van artikel 1 van de Wav is en bij de beoordeling of aan de in de Wav gestelde normen wordt voldaan met de calamiteitenstal geen rekening hoeft te worden gehouden."

Geur

In Rechtbank Oost-Brabant, SHE 14/1249, 7 november 2014, Oirschot stond er een tussenmuur in de stal. Deze tussenmuur in de stal vormde de afscheiding van de dierenverblijven en de gang van de stal. De gang werd ook gebruikt om de varkens te transporteren.
De gemeente heeft terecht de tussenmuur in de stal als buitenzijde van het dierenverblijf aangemerkt, omdat dit gedeelte het stalsysteem betreft waarin de dieren worden gehouden. Deze tussenmuur sluit het dierenverblijf helemaal af. De gang daarnaast wordt weliswaar gebruikt om de dieren te transporteren, maar dat gebeurt slechts twee keer per dier: als zij worden aangeleverd en als zij worden afgevoerd. De gang is daarom niet aan te merken als dierenverblijf.

In Rechtbank Oost-Brabant, SHE 12/1619 van 27 juni 2013, Deurne, worden calamiteitenruimten in de stallen 1, 2 en 4 alleen gebruikt tijdens een noodsituatie, bijvoorbeeld bij het niet af kunnen leveren van dieren tijdens een periode met een vervoersverbod. De ziekenboeg in stal 4 mag slechts gebruikt worden voor het tijdelijk huisvesten van zieke dieren. Met op te nemen voorschrift Q.7 zal duidelijk blijken dat de ziekenboeg alleen gebruikt mag worden voor de gespeende biggen uit stal 4. Daardoor wordt bereikt dat de ziekenboegfunctie alleen geldt voor het tijdelijk huisvesten van gespeende biggen. In combinatie met de bepaling in voorschrift Q.4 waarin is vastgelegd dat de oorspronkelijke plaats van het dier dat tijdelijk in de ziekenboeg aanwezig is, niet door een ander dier mag worden bezet, wordt aan het bezwaar tegemoet gekomen. De rechtbank verbindt dit voorschrift aan de vergunning.

De ABRvS heeft bepaald dat een ziekenboeg moet worden meegenomen in de afstandsmeting, zie ABRvS, 200201107/1, 2 oktober 2002, Wierden. Dat de ziekenboeg weinig intensief werd gebruikt, maakte dit niet anders. Ook in ABRvS, E03.97.0555, 28 oktober 1999, Druten, kwam de Raad van State tot dat oordeel. Ook als de vergunninghouder zich er voor inspant om de ziekenboeg zo leeg mogelijk te houden, was aannemelijk dat daarin nagenoeg permanent wel enige varkens aanwezig zullen zijn.

Een quarantainehok moet worden meegenomen in de afstandsmeting, ABRvS, 200205583/1, 23 april 2003, Reusel-De Mierden. Een gaanderij voor geiten telde ook mee in de afstandsmeting, ABRvS, E03.96.0810, 6 september 1998, Loon op Zand.

Een wachtruimte die met de stal een aaneengesloten ruimte vormde werd ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Omdat de geur vanuit de stal zich ook in de wachtruimte zal verspreiden en via de zich daar bevindende emissiepunten de stal zal kunnen verlaten. Daarom had het college onvoldoende gemotiveerd waarom een verkleining van de afstand in de reeds bestaande overbelaste situatie niet leidt tot een toename van geurhinder. Zie uitspraak ABRvS, 200806476/1/M2, 29 juli 2009.

Een afleverstal waar pasgeboren kalveren gedurende een periode van 10 tot 14 dagen verbleven, alvorens zij buiten de inrichting werden afgevoerd met een wekelijkse bezetting van 0 tot 15 stuks, was echter ten onrechte buiten beschouwing gelaten, ABRvS, 200406930/1, 2 februari 2005. Als het bedrijf alléén bestaat uit dergelijke afleverruimtes, moet gemeten vanaf deze ruimtes, zie Vz ABRvS, 200001675/1, 20 juni 2000, Waalwijk, op te vragen bij de Raad van State. Het ging hier om een overlaadstation (een veehandelaar) voor nuchtere kalveren. De inrichting was bestemd voor het tijdelijk stallen, verladen en vervoeren van maximaal 200 nuchtere kalveren. De nuchtere kalveren werden gestald in de periode vanaf dinsdag 12.00 uur tot en met donderdag 19.00 uur. Dat de inrichting werd terecht aangemerkt als een intensieve veehouderij vanwege het aantal dieren. Terecht was de vergunning geweigerd omdat niet werd voldaan aan de afstanden ingevolge de Richtlijn 1996 en Brochure 1985.

Niet alle afleverruimten hoeven worden meegenomen in de afstandsmeting. Zie ABRvS, 200201107/1, 2 oktober 2002, Wierden en ABRvS, 199901002/1, 27 februari 2002, op te vragen bij de Raad van State.

Een behandelingsruimte voor paarden werd niet als emissiepunt aangemerkt door de Raad van State: ABRvS, 200408681/1, 18 mei 2005, Pijnacker-Nootdorp. Deze ruimte was niet ingericht als verblijfsruimte en er waren kortstondig één a twee paarden aanwezig. In een geval waarbij in de bedrijfshal van de inrichting varkens in vrachtwagens werden overgeladen en waarbij geen voorzieningen zijn om de dieren voor een langere tijd te kunnen houden en van voer te kunnen voorzien, oordeelde de Voorzitter dat niet voor onaanvaardbare stankhinder door de aanwezigheid van varkens binnen de inrichting behoefde te worden gevreesd (Vz ABRvS, 200409085/2, 11 februari 2005, Alphen-Chaam).

Een paardenbak is geen dierenverblijf en kon voor geur buiten beschouwing blijven, in ABRvS, 201304246/1/R6, 2 oktober 2013, gemeente Gorinchem. "Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 15 augustus 2007, nr. 200701237/1, 19 november 2008, nr. 200804781/1 en 29 september 2011, nr. 200907569/1/R2) dient een paardenbak niet als dierenverblijf te worden aangemerkt. Er is geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. "

Een binnenbak bij een manege kon bij de afstandsmeting buiten beschouwing blijven. De paarden konden vanuit de stal de binnenbak niet betreden en werden alleen voor het rijden naar de binnenbak gebracht. De mest werd na afloop van het rijden onmiddellijk verwijderd, ABRvS, 199900466/1, 15 maart 2001, Veendam, M&R 2001/104K.

Een paddock die gedurende de zomer gebruikt wordt door 10 tot 15 pony's die daar in de ochtend-, avond- en nachtperiode verblijven diende als dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij te worden aangemerkt. De overige paddocks worden door maximaal twee paarden gedurende maximaal anderhalf uur en alleen overdag gebruikt. Deze paddocks worden niet als dierenverblijf in de zin van de Wgv aangemerkt. Zie ABRvS 201103534/1/A4, 30 mei 2012, Zandvoort


Zie ook


M&R

Milieu en Recht

Richtlijn 1996

Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996

Brochure 1985

Brochure Veehouderij en Hinderwet 1985