Lozen van brijn

Brijn ontstaat bij bereiding van grondwater voor gietwater in een kas, veedrenking, drinkwater, koelwater. Voor het lozen van brijn gelden regels.

Brijn

Brijn is een restproduct als grondwater bereid wordt voor bepaalde toepassingen. Brijn heeft een relatief hoog zoutgehalte. Het gaat bijvoorbeeld om het toepassen van grondwater als gietwater, of als water voor veedrenking. Op de pagina over de beleidsnota Goed gietwater glastuinbouw staat een toelichting op de waterbehandeling voor agrarische doeleinden.

Brijn kan ook ontstaan bij de behandeling van grondwater voor andere doeleinden. Zoals de behandeling van grondwater om drinkwater te maken. Of om het te gebruiken als koelwater in bijvoorbeeld datacentra.

Wet- en regelgeving

In artikel 3.90 van het Activiteitenbesluit (Ab) staan de regels voor het lozen van het afvalwater afkomstig van zuiveren van grondwater door omgekeerde osmose of ionenwisselaars. Het gezuiverde grondwater past men toe als gietwater of voor veedrenking.

Brijn dat ontstaat bij behandeling van grondwater voor agrarische activiteiten, mag niet in de bodem worden geloosd. Als men het toch wil lozen, is hiervoor maatwerk nodig. In het maatwerk legt het bevoegd gezag lozingseisen vast.

Voor brijn dat ontstaat bij de grondwaterbehandeling voor andere doeleinden, gelden geen specifieke regels. Hiervoor geldt de zorgplicht uit artikel 2.2 lid 1 van het Ab. Volgens dit artikel is lozing in de bodem of op een riool, anders dan een vuilwaterriool, verboden. Artikel 2.2 lid 3 maakt lozing mogelijk met maatwerk.

Brijn dat vrijkomt bij grondwaterbehandeling voor andere dan agrarische doeleinden, mag niet geloosd worden in oppervlaktewater. Dit staat in artikel 6.2 van de Waterwet. Lozing van brijn in oppervlaktewater mag alleen met een waterwetvergunning.

Beoordeling van de lozing

De toelaatbaarheid van de lozing van brijn wordt beoordeeld door het bevoegd gezag voor het compartiment waarop men wil lozen. Voor bodem, vuilwaterriool, hemelwaterriool, of oppervlaktewater kunnen dit verschillende bevoegde gezagen zijn.

Bij de aanvraag van een maatwerkbeschikking of een vergunning, moet de initiatiefnemer de gevolgen van de lozing voor het milieu in kaart brengen. Hiervoor is een toetsing volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek (ABM) nodig van de te lozen stoffen. En bij de aanvraag moet een emissie-immissietoets worden gedaan voor de lozing op het oppervlaktewater. De initiatiefnemer moet motiveren waarom men kiest voor lozing van het brijn.

Het bevoegd gezag beoordeelt de toetsing en weegt de belangen af. Het bevoegd gezag kijkt hierbij ook of er alternatieven voor de lozing zijn.

Lozingsroutes van brijn

Voor brijn zijn er verschillende lozingsroutes. In het beleidskader ‘Goed gietwater glastuinbouw’ staan de verschillende lozingsroutes toegelicht. Het beleidskader is bedoeld voor brijn dat ontstaat bij de waterbereiding voor agrarische activiteiten. Uit verwijzing naar brijnlozing bij DSM (koelwater) en een suikerfabriek (proceswater) blijkt dat het beleidskader breder is bedoeld. Het brijn dat hierbij ontstaat, verschilt niet heel veel van brijn dat ontstaat bij waterbehandeling voor wel specifiek benoemde activiteiten. Deze beoordeling kan men daarom ook gebruiken bij andere toepassingen van grondwater waarbij brijn ontstaat.

De verschillende lozingsroutes zijn.

Bodem

Dit is de meest voorkomende lozingsroute. Volgens de toelichting in het beleidskader onttrekt men het grondwater uit het eerste watervoerende pakket. Men loost het brijn in het tweede watervoerende pakket. Deze lozingen zijn risicovol. De watervoerende lagen zijn niet overal goed gescheiden. Daardoor kan er vermenging optreden tussen het pakket waaruit men water onttrekt en het pakket waarin men het brijn loost.

Daarnaast ontstaat verzilting door het stijgen van de concentraties van stoffen in het diepere grondwater. Dit is in strijd is met het 'stand still'-beginsel van de Grondwaterrichtlijn. De Technische commissie Bodembescherming (TCB) heeft in een advies aan de minister aanbevolen om terughoudend met het lozen van brijn om te gaan. Er is een goede motivering nodig om met het lozen van brijn toe te staan. Initiatiefnemers moeten zoeken naar alternatieven.

Daarnaast adviseert de TCB collectieve onttrekkingen. En als er geen andere mogelijkheid is dan lozen in de bodem, ook collectieve lozing van brijn in de bodem. Hierdoor is betere controle mogelijk. Het bevoegd gezag voor de bodem is verantwoordelijk voor het beoordelen van deze lozingen.

Oppervlaktewater

Vanwege het hoge zoutgehalte is lozen op zoet oppervlaktewater niet gewenst in verband met verzilting. Dit geldt zeker in concentratiegebieden van tuinbouw en vlakbij drinkwaterwinningen. Lozen op brak of zout oppervlaktewater is in beginsel wel mogelijk. De initiatiefnemer moet dit met de emissie-immissietoets aantonen.

Het bevoegd gezag, de waterbeheerder, beoordeelt de argumentatie van de initiatiefnemer. Het oppervlaktewater moet in dat geval wel bereikbaar zijn. Soms moet men daarvoor een afvoersysteem voor het afvalwater aanleggen.

Riolering

Lozen op de riolering kan op een hemelwaterriool of op een vuilwaterriool.

Hemelwaterriool

Als uit de toetsing blijkt dat direct lozen in het oppervlaktewater kan, dan kan men ook in een hemelwaterriool lozen. In bepaalde gevallen kan dit voor een individueel agrarisch bedrijf een mogelijkheid zijn. Dat zullen uitzonderingen zijn. In land- en tuinbouwgebieden zal namelijk zelden een hemelwaterstelsel liggen.

Voor lozingen van brijn afkomstig van andere activiteiten ligt het lozen op een hemelwaterriool meer voor de hand. Met een maatwerkvoorschrift op basis van het Ab kan het bevoegd gezag een dergelijk lozing, onder voorwaarden, toestaan. De gemeente is bevoegd gezag voor de lozing op het hemelwaterriool. De waterbeheerder is bevoegd gezag voor de lozing van het riool op het watersysteem. De initiatiefnemer dient bij de aanvraag van maatwerk met een emissie-immissietoets aan te tonen dat de lozing kan. De waterbeheerder adviseert de gemeente over de beoordeling van de aanvraag.

Vuilwaterriool

De samenstelling van brijn is niet geschikt om te zuiveren in een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). Bij lozen in het vuilwaterriool is het alleen een transportmiddel. Het stedelijk afvalwater verdunt het brijn, maar het zout blijft aanwezig. Het zout is van invloed op de werking van het riool. Het zout kan metalen delen in het riool, zoals gemalen, aantasten.

De zoutconcentratie van afvalwater zoals het bij de rwzi aankomt mag niet te hoog zijn. Dit beïnvloedt de doelmatige werking van de rwzi. Volgens het ‘beleidskader goed gietwater glastuinbouw’ is een gehalte van circa 1 g/l NaCl in het influent van de rwzi acceptabel. Dit komt overeen met circa 0,6 gram chloride per liter. Dit geldt voor brijn, onafhankelijk van de activiteit, waarbij het brijn ontstaat. De uiteindelijke belasting van het oppervlaktewater neemt door behandeling in een rwzi nauwelijks af.

De lozing van het zout uit de rwzi is slecht voor het oppervlaktewater. Het bevoegd gezag beoordeelt de lozing op het vuilwaterriool op basis van de uiteindelijke lozing op oppervlaktewater. De waterbeheerder adviseert de rioolbeheerder over de beoordeling van de lozing op het vuilwaterriool.

Brijnlozing op het vuilwaterriool veroorzaakt dus oneigenlijk gebruik van riolering en rwzi. Men loost het water op een andere locatie dan waar het ontstaat. Dit kan een voordeel zijn. Ook voor lozen op het vuilwaterriool is een maatwerkbesluit op basis van het Activiteitenbesluit vereist.

Maatwerk- of vergunningsvoorschriften

Maatwerk- of vergunningvoorschriften kunnen voor verschillende onderwerpen worden opgelegd, zoals:

  • de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van de lozing en het meten en registreren daarvan. (Voor alle lozingsroutes geldt, dat men het te lozing afvalwater op een doelmatige manier moet kunnen meten en bemonsteren.)
  • de te treffen maatregelen
  • de duur van de lozing en
  • de plaats van het lozingspunt

Bodemlozingen

Voor lozing in de bodem liggen de eisen voor bereiding van grondwater voor agrarische doeleinden vast in artikel 3.90 van het Ab.

Onder voorwaarden mogen bedrijven die gewassen telen in een kas in de grond of op substraat brijnwater lozen in de bodem. Daarvoor stelt het bevoegd gezag dan maatwerkvoorschriften op.

Het besluit bevat voor glastuinbouw een speciale regel. Een bedrijf mag brijnwater in de bodem lozen als dat bedrijf op 1 januari 2013 een ontheffing had voor het lozen van brijn in de bodem. Daarnaast moet het bedrijf een voorziening hebben voor het opvangen van hemelwater, met een minimale capaciteit van 500 m3/ha teeltoppervlak. De ontheffing ziet het bevoegd gezag als maatwerk.

Glastuinbouwbedrijven die aan deze voorwaarden voldoen mogen tot 1 juli 2022 brijn in de bodem lozen. Deze specifieke maatwerkregel geldt tot 1 juli 2022. Uitgangspunt hierbij was dat men vanaf 1 juli 2022 geen brijn meer zou hoeven lozen.

Toelichting hierop vindt u op de pagina Goed gietwater glastuinbouw.

Voor glastuinbouwbedrijven die op 1 januari 2013 geen ontheffing hadden moet het bevoegd gezag per geval beoordelen of maatwerk mogelijk is. Dit moet het bevoegd gezag ook doen voor andere bedrijven die brijn willen lozen.

Oppervlaktewater en schoonwaterriool

Voor het lozen van brijn dat ontstaat bij behandeling van grondwater voor agrarische doeleinden in oppervlaktewater gelden volgens artikel 3.90 de volgende eisen:

  • chloride maximaal 200 mg/l
  • ijzer maximaal 2 mg/l

Deze normen gelden ook voor het lozen op een schoonwaterriool. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift andere lozingsnormen opleggen. Dit kan het bevoegd gezag ook doen met een verordening. Hiervoor geldt ook de voorwaarde dat de bescherming van het milieu zich er niet tegen verzet.

Vuilwaterriool

Lozing op een vuilwaterriool is verboden. Het bevoegd gezag kan het met een maatwerkvoorschrift het lozen op een vuilwaterriool wel toestaan. Dit kan het bevoegd gezag ook toestaan met een verordening. Voorwaarde voor het toestaan voor de lozing op het vuilwaterriool is dat de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet.

Collectief systeem

In gebieden waar meerdere (glastuinbouw)bedrijven liggen, kunnen die bedrijven er ook voor kiezen om een gezamenlijke voorziening voor de behandeling van brijn aan te leggen. Het bevoegd gezag beoordeelt dan de lozing van het collectieve systeem. Zo’n collectief systeem biedt betere mogelijkheden om de meest geschikte locatie voor de lozing te kiezen. Het bevoegd gezag kan als maatwerk eisen dat men een collectief systeem voor de bewerking van grondwater realiseert. Hiervoor kan het bevoegd gezag lozingseisen vast stellen. Daarnaast kan het bevoegd gezag eisen dat individuele bedrijven aansluiten op het collectieve systeem.

Controleaspecten

  • Wordt er brijn geloosd?
  • Wat is de lozingsroute (oppervlaktewater/schoonwaterriool, vuilwaterriool, of bodem)?
  • Gelden er maatwerk- of vergunningvoorschriften of maatwerkregels?