Wateroverlast en ruimtelijke ordening

Sinds het Nationaal Bestuursakkoord Water en de actualisatie van dit akkoord (NBW Actueel en BAW 2011) is de waterbergingsopgave bijna geheel gerealiseerd.

Waar nodig zijn bergingsgebieden ruimtelijk aangewezen in provinciale structuurvisies en regionale waterplannen. Vervolgens zijn deze bergingsgebieden als bergingsgebied bestemd in bestemmingsplannen van gemeenten. Los van de bestaande waterbergingsopgave moet in alle ruimtelijke plannen aandacht besteed worden aan de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De waterbeheerder borgt dit via de watertoets. Voor nieuwbouwprojecten vormt de watertoets het instrument om ervoor te zorgen dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen goed rekening wordt gehouden met de waterhuishouding.

Regionaal waterplan

Het regionale waterplan is, als het gaat om ruimtelijke aspecten, een structuurvisie. Structuurvisies bevatten de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling op een bepaald ruimtelijk onderwerp. Regionale waterplannen bevatten dus de hoofdlijnen van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van regionale watersystemen. Daarnaast maken provincies en gemeenten structuurvisies, waarin het ruimtelijke waterbeleid één van de onderdelen vormt.

De reservering van ruimte voor waterberging in structuurvisies vindt veelal plaats via de verbeelding (plankaart) en via beleidsuitspraken. Op de verbeelding worden gebieden aangeduid die waterbergingsgebied of zoekgebied voor waterberging zijn. In het beleidsdeel van de structuurvisie beschrijft de provincie of de gemeente specifieke voorwaarden voor die gebieden, bijvoorbeeld een beperking van de ontwikkeling van kapitaalintensieve functies.

Een structuurvisie bindt alleen het bestuursorgaan dat de visie heeft vastgesteld. Provinciale staten en de gemeenteraad zijn dus in principe verplicht zich aan de voornemens in hun structuurvisies te houden. Zij het dat hiervan gemotiveerd afgeweken kan worden. Voor gemeenten geldt dat bij het vaststellen van bestemmingsplannen een gemeentelijke structuurvisie leidend is.

Structuurvisies van de provincie hebben daarnaast ook enige doorwerking naar ruimtelijke plannen van de gemeente. Bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moet de gemeente voldoende onderzoek doen naar de relevante feiten. Ruimtelijke plannen van de gemeente moeten, net als andere bestuursrechtelijke besluiten, goed gemotiveerd worden. Een gemeente kan daarom niet zonder goede motivering afwijken van een provinciale structuurvisie.

Watertoets

Bij de voorbereiding van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening). Ook moet de waterbeheerder (Rijkswaterstaat of het waterschap) worden betrokken bij de voorbereiding van het plan (artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening). Via de watertoets wordt hieraan invulling gegeven. De watertoets is een proces van vroegtijdig informeren en overleggen, om te zorgen dat waterbelangen op tijd en duidelijk worden meegewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

De watertoets omvat in ieder geval een wateradvies van de waterbeheerder, dat wordt meegenomen in de waterparagraaf van het bestemmingsplan.
Bij het watertoetsproces let de waterbeheerder op alle wateraspecten. Het voorkomen of beperken van wateroverlast is een van die aspecten. Er zijn verschillende ruimtelijke maatregelen die het risico van wateroverlast verminderen, bijvoorbeeld:

  • ruimte voor vasthouden van water bovenstrooms
  • beperken van bouwen in lage en natte gebieden
  • compensatie van versnelde afvoer van water door (nieuwe) verharding
  • vrijhouden van waterlopen
  • ruimte reserveren voor bergen van teveel water
  • waterhuishoudkundig bouwrijp maken van gronden

Uw onderwerpen

Zie Helpdesk Water

Zie Deltabeslissing ruimtelijke adaptatie