Gedoogplichten

Met een gedoogplicht zorgt de overheid ervoor dat bepaalde werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, ongeacht de toestemming van een eigenaar of andere rechthebbende van grond. Het betreft activiteiten die geen onteigening rechtvaardigen en waarbij de belangen van de rechthebbende - in verhouding tot het doel dat de overheid dient - nauwelijks worden geschaad. Het gaat meestal om onderzoek of onderhoudswerkzaamheden, maar sinds de invoering van de Waterwet kan het ook gaan om het dulden van bepaalde wateroverlast.

In de Waterwet zijn de volgende gedoogplichten opgenomen:

De gedoogplichten en bijzondere bevoegdheden zijn opgenomen in artikel 5.20 t/m 5.27 van de Waterwet.

Onderzoeken

De artikelen 5.20 tot en met 5.22 van de Waterwet behandelen de plicht om onderzoeken te gedogen. Dit zijn bijvoorbeeld onderzoeken ter voorbereiding van aanleg, onderhoud en herstel van waterstaatswerken en in het kader van monitoring. Ook onderzoek naar bijvoorbeeld de kwaliteit van te ontgraven baggerspecie en naar de aard en omvang van waterbodemverontreiniging en de verplaatsing van verontreiniging door (grond)waterstromen valt hieronder. De beschikking van de onderzoeksgedoogplicht moet per geval minimaal twee weken voor het onderzoek begint, bekend worden gemaakt. De eis van twee weken vervalt in spoedeisende gevallen. Tegen de beschikking staan bezwaar en beroep open.

Ook provincies zijn, in verband met hun grondwatertaak, bevoegd deze gedoogplicht op te leggen. Dit kan van belang zijn bij bijvoorbeeld het plaatsen van monitoringpunten.

Onderhoud, herstel, wijziging en aanleg van waterstaatswerken

Op grond van artikel 5.23 Waterwet geldt een wettelijke plicht om onderhoud- en herstelwerkzaamheden te gedogen (naar beheer en onderhoud waterstaatswerken). De beheerder kan op grond hiervan gronden van derden betreden om onderhoudswerkzaamheden aan waterstaatswerken uit te voeren. Het tweede lid verplicht een rechthebbende om bij het onderhoud vrijkomende specie en maaisel op zijn grond te ontvangen. Deze verplichting gaat niet in alle gevallen onverkort op. Er kunnen bijvoorbeeld fysieke belemmeringen zijn, zoals bebouwing. Schade die ontstaat door bijvoorbeeld verontreiniging van de grond als gevolg van deze gedoogplicht kan worden vergoed via de schadevergoedingsregeling van hoofdstuk 7 Waterwet.
De beheerder hoeft niet eerst een beschikking aan betrokkenen te sturen, maar moet hen wel ten minste 48 uur van tevoren schriftelijk op de hoogte brengen.

In artikel 5.24 van de Waterwet gaat het om de plicht de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk te gedogen. Dit artikel heeft een brede strekking wat betreft de aard en doelstellingen van de werkzaamheden. Onder werkzaamheden vallen bijvoorbeeld ook het veranderen van de bedding of de oevers, bijvoorbeeld de aanleg van natuurvriendelijke oevers, en de aanpak van verontreinigde waterbodems. De gedoogplicht mag alleen worden opgelegd wanneer de belangen van rechthebbenden geen onteigening vorderen. In twee uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nader aangegeven wanneer onteigening aangewezen is:

Kort gesteld komt het erop neer dat de rechter stelt dat de voor de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk benodigde grondoppervlak in verhouding tot het totale grondoppervlak van de rechthebbende van belang is. Verder speelt een rol of zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals de
omstandigheid dat de bruikbaarheid van de rest van een perceel vermindert als gevolg van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk op een gedeelte van dat perceel.

De gedoogplicht ten aanzien van aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt opgelegd bij individuele beschikking. De beschikking moet ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden worden bekendgemaakt aan rechthebbenden (spoedeisende gevallen daargelaten). Tegen de beschikking staat bezwaar en eventueel later beroep open op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

Aanbrengen en in stand houden van meetmiddelen en permanente tekens

Artikel 5.25 Waterwet betreft het gedogen van meetmiddelen en permanente tekens. Ook dit is een gedoogplicht ‘ex lege', waarvoor geen beschikking nodig is. Het gaat bij de toepassing van dit artikel om het aanbrengen en in stand houden van zaken als peilschalen en automatische waterhoogtemeters. Ook verkeerstekens in verband met het nautische beheer vallen onder deze bepalingen.

Wateroverlast en overstroming ten gevolg van afvoer of tijdelijke berging van water

Nieuw in de Waterwet is de bepaling dat rechthebbenden ten aanzien van gronden verplicht zijn tijdelijke berging van water of de afvoer van water op die gronden te dulden. Deze duldplicht van artikel 5.26 Waterwet bestrijkt een breed scala van situaties. Te weten:

  • Gronden in aangewezen bergingsgebieden;
  • Gronden in het oppervlaktewaterlichamen of buitendijkse gebieden;
  • Aanwijzing en inrichting van waterbergingsgebieden.

Al deze gebieden vormen een integraal onderdeel van het watersysteem en zijn vastgelegd in de legger en ook als zodanig bestemd in ruimtelijke zin (bestemmingsplan of inpassingsplan). Ook voor inrichtingsmaatregelen kan een gedoogplicht worden opgelegd. De plicht de afvoer of tijdelijke berging van water te gedogen, is een wettelijke plicht. Hier hoeft geen aparte beschikking aan ten grondslag te liggen.

Noodoverloopgebieden vallen expliciet buiten het bereik van de duldplicht. Noodoverloopgebieden maken geen deel uit van het watersysteem. Deze gebieden worden pas onder water gezet, indien de reguliere bergingscapaciteit van een watersysteem niet langer toereikend is om het teveel aan water te bergen. Uit de naam ‘noodoverloopgebied' alleen al volgt dat het om bijzondere situaties moet gaan, waarbij tot onder water zetten van bepaalde gebieden wordt overgegaan om grotere maatschappelijke schade elders te voorkomen.

Onttrekking en infiltratie van grondwater

Grondwateronttrekkingen en daarmee verband houdende infiltraties van water in de bodem kunnen, ook wanneer zij krachtens vergunning worden verricht, tot schade aan onroerende zaken van derden leiden. Schade kan met name optreden bij onttrekkingen aan het freatisch grondwater, zoals bij bronneringen ten behoeve van bouwprojecten het geval is. Bij de verlening van een vergunning voor de onttrekking van grondwater zal vanzelfsprekend steeds een afweging moeten worden gemaakt tussen de bij de grondwateronttrekking betrokken belangen en de belangen van derden. Wordt echter tot vergunningverlening overgegaan, dan rust volgens artikel 5.27 Waterwet op derden de verplichting om de vergunde onttrekking te gedogen. Dit betekent overigens niet dat vervolgens ook de eventuele schade die het gevolg is van de onttrekking, voor hun rekening moet blijven.

Op grond van hoofdstuk 7 van de Waterwet rust op de vergunninghouder de plicht om schade aan onroerende zaken van derden zoveel mogelijk te ondervangen en voor het overige te vergoeden. Ook kan de eigenaar van de onroerende zaak van de vergunninghouder verlangen dat deze de zaak in eigendom overneemt, wanneer de eigendom van de zaak voor de eigenaar van te geringe betekenis is geworden.

De gedoogplicht is niet van toepassing op meldingplichtige onttrekkingen. Dit houdt tevens in dat bij optredende schade de Waterwet niet in een schadevergoedingsregeling voorziet. Daarbij is er geen mogelijkheid om het schadeonderzoek door en voor rekening van Gedeputeerde Staten te laten uitvoeren (artikel 7.19 Waterwet). De schadelijdende partij zal in zo'n geval een actie op grond van onrechtmatige daad kunnen starten (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, mogelijk in samenhang met artikel 5:39 Burgerlijk Wetboek).