Minimalisatie en vijfjaarlijkse informatieplicht

Vooronderzoek

Als een bedrijf een nieuwe activiteit start of een bestaande activiteit wijzigt, moet het bedrijf bij de vergunningaanvraag al inventariseren welke zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) vrijkomen. Voor ZZS geldt een minimalisatieverplichting. Het bedrijf onderzoekt in hoeverre de ZZS-emissie vermeden kan worden. Is vermijding van de ZZS-emissie niet mogelijk, dan onderzoekt het bedrijf hoe de ZZS-emissie zoveel mogelijk gereduceerd kan worden.

Minimalisatie en vijfjaarlijkse informatieplicht

Als een bedrijf een ZZS naar de lucht emitteert dan is het bedrijf verplicht om te proberen deze emissie te voorkomen. Als dat niet mogelijk is dan moet het bedrijf de emissie tot een minimum beperken. Deze zogenaamde minimalisatieverplichting staat in artikel 2.4 lid 2 van het Activiteitenbesluit. Deze geldt ook wanneer het bedrijf de beste beschikbare technieken toepast en/of de immissieconcentratie voor een stof onder het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR) uitkomt. De minimalisatieverplichting is een continu streven naar vermindering van de emissie.

Minimalisatie van emissies kan op verschillende manieren: door substitutie, door nieuwe reinigingstechnieken of nieuwe productietechnieken, of door aanpassingen in de bedrijfsvoering. De minimalisatieverplichting heeft ook als doel het bevorderen van innovatie.

Een belangrijk instrument om invulling te geven aan de minimalisatieplicht is de vijfjaarlijkse informatieplicht. Eén keer in de vijf jaar moet het bedrijf informatie overleggen aan het bevoegd gezag. Dit volgt uit artikel 2.4 lid 3 van het Activiteitenbesluit. In  artikel 2.20 van de Activiteitenregeling is deze informatieplicht gekoppeld aan vermijdings- en reductieprogramma's.

De termijn van vijf jaar start (artikel 2.4 lid 11 Activiteitenbesluit):

  • Op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit voor dat bedrijf. De inwerkingtreding was op 1 januari 2016.
  • Als het bevoegd gezag een afwijkende tijdstip in een vergunning heeft vastgelegd, dan geldt dit afwijkende tijdstip.

Vermijdings- en reductieprogramma's

Het vermijdings- en reductieprogramma bestaat uit twee onderdelen: een onderzoek naar de mogelijkheden voor het vermijden of reduceren van de emissie en een programma van maatregelen die het bedrijf op basis van dit onderzoek neemt.

Hierbij moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de voorkeursvolgorde van de te nemen maatregelen (artikel 2.4 lid 2 Activiteitenbesluit). Deze volgorde is:

  1. Vermijden van de emissie. Hierbij moet het streven in de eerste plaats zijn gericht op het vervangen van de ZZS door een minder schadelijke stof. Als dat niet mogelijk is komen aanpassingen aan het proces en de installatie in aanmerking.
  2. Reductie van de emissie.

Bij de inventarisatie van de mogelijkheden tot vermijding of reductie van de emissie houdt het bedrijf met diverse aspecten rekening. Het bedrijf brengt zowel milieuhygiënische en economische aspecten als haalbaarheidsaspecten in kaart. Dit moet leiden tot een goede afweging. Het vermijdings- en reductieprogramma bevat in ieder geval de volgende informatie (artikel 2.20 van de Activiteitenregeling):

  • Informatie over welke ZZS het bedrijf naar de lucht emitteert en de mate waarin.
  • Een overzicht van mogelijkheden en technieken ter voorkoming en ter reductie van de emissies. Hieronder valt ook informatie over het rendement en de validatie. Met validatie wordt bedoeld de mate waarin die maatregel of techniek zich in de praktijk bewezen heeft.
  • Informatie over bedrijfszekerheid en kosten.
  • Informatie over afwenteleffecten (cross-media effects). Zogeheten 'cross-media effects' doen zich voor als er sprake is van verschuiving of afwenteling van de milieubelasting. Bijvoorbeeld minder ZZS-emissie, maar een hoger energieverbruik. Er is dan een integrale afweging nodig.

In feite zijn dit de stap emissiesituatie en de stap vooronderzoek uit het stappenplan ZZS.

De Activiteitenregeling geeft niet aan welk detailniveau vereist is. Wel volgt uit de systematiek dat een vermijdings- en reductieprogramma die informatie moet bevatten zodat een bedrijf daadwerkelijk kan beslissen over het wel of niet implementeren van de opties voor emissiereductie.

Een bedrijf kan een onderzoek voor een gehele bedrijfstak of branche gebruiken, als de emissiesituatie voor de individuele bedrijven vergelijkbaar is. Voorwaarde is wel dat het onderzoek inzicht biedt in de meest recente inzichten en mogelijkheden van emissiereductie. De verantwoordelijkheid voor de juistheid en compleetheid van het onderzoek ligt bij het bedrijf.

De vermijdings- en reductieprogramma's bieden een uitgangspunt voor overleg met het bevoegd gezag over de concrete invulling van de minimalisatieverplichting. Een bedrijf kan aangeven welke van de geïdentificeerde opties het wil implementeren en in welke fasering. Voor de opties die het bedrijf (nog) niet implementeert, kan het bedrijf een motivering opnemen.

Reikwijdte vermijdings- en reductieprogramma's

De vermijdings- en reductieprogramma's zijn voor alle ZZS-emissies die het bedrijf emitteert naar de lucht. Daarmee is de reikwijdte breder dan de ZZS die het bedrijf via het PRTR-verslag jaarlijks rapporteert.

Voor emissies naar water geldt vanuit de Algemene BeoordelingsMethodiek 2016 (ABM) ook een vijfjaarlijkse informatieplicht.  Deze informatieplicht over het vermijden en reduceren van ZZS-emissies naar water geldt niet rechtstreeks; de vergunningverlener moet dit eerst verwerken in een vergunningvoorschrift. In het toekomstige Besluit Activiteiten Leefomgeving zal de vijfjaarlijkse informatieplicht voor zowel lucht als water rechtstreeks gaan gelden. Bedrijven kunnen hierop vooruitlopen en vrijwillig kiezen voor een integraal vermijdings- en reductieprogramma voor lucht en water.

Informatie over vermijdings- en reductiemogelijkheden

De volgende webpagina’s geven meer informatie over het vinden van alternatieven voor schadelijke stoffen (substitutie):

Informatie over maatregelen voor het verminderen van emissies naar de lucht staat op de pagina Maatregelen.

De REACH-verordening stelt beperkingen aan het werken met bepaalde gevaarlijke stoffen (zogenaamde autorisaties en restricties). Het is verboden te handelen in strijd met deze maatregelen van REACH. Dit volgt uit artikel 9.3.3 van de Wet milieubeheer. Meer informatie over REACH staat op de webpagina: chemische stoffen: goed geregeld!

Maatwerk: uitzonderingsmogelijkheden

In bepaalde gevallen kan het bevoegd gezag met maatwerk toestaan dat het bedrijf niet elke vijf jaar de verplichte informatie aanlevert (Activiteitenbesluit artikel 2.4 lid 4). Als het belang van de bescherming van het milieu het toelaat kan het bevoegd gezag bij maatwerk toestaan dat er een:

  • ontheffing is van de verplichting
  • fasering is in het voldoen aan de verplichting

Het bevoegd gezag kan een bedrijf ontheffen van de vijfjaarlijkse informatieplicht als de emissiebijdrage van het bedrijf verwaarloosbaar is.

Een voorbeeld van een mogelijke motivering hiervoor is dat de luchtkwaliteit in de omgeving van het bedrijf voldoet aan het verwaarloosbaar risico (VR) van die stof. Beneden het VR wordt er van uitgegaan dat stoffen ook in combinatie met elkaar geen, of verwaarloosbare, schade geven. Bij het streven naar een nulemissie kan het VR een indicator zijn dat voldoende bescherming van gezondheid en milieu is bereikt.

Bij fasering gaat het om prioritering in het nemen van maatregelen naar aard en omvang van emissies van ZZS. Als een bedrijf meerdere ZZS naar de lucht uitstoot, kan het bevoegd gezag besluiten dat de aanlevering van de informatie gefaseerd mag plaatsvinden, met het oog op beperking van de administratieve lasten.

Het bedrijf moet in dat geval wel een voldoende gemotiveerd voorstel tot fasering aanleveren. De aan te leveren informatie kan in zo'n geval, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in eerste instantie beperkt blijven tot die ZZS die het meest relevant zijn. Dit omdat zij de hoogste overschrijding geven of omdat zij de meest relevante zijn binnen een groep van stoffen met hetzelfde emissiepatroon en gedrag.