Activiteitenbesluit en luchtkwaliteit in 't kort

De belangrijkste regels voor luchtkwaliteit in het Activiteitenbesluit hebben betrekking op:

OBM

Voor een aantal activiteiten is vooraf toestemming nodig om deze op een bepaalde locatie te mogen verrichten. Dit is de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). Het doel is dat vooraf wordt getoetst wordt of een bepaalde activiteit op een bepaalde locatie past. Voor deze activiteiten geldt een fijnstof-OBM:

Lees meer over aantallen dieren en combinaties van te houden dieren bij OBM bij Veehouderijen.

Melding en rapport

Vier weken voor oprichting of verandering van een inrichting moet de inrichtinghouder een melding (artikel 1.10) doen bij het bevoegd gezag.

De inrichtingen waarvoor een OBM geldt, leveren de volgende gegevens aan:

  • inputgegevens voor het luchtkwaliteitsmodel ISL3a bij houden van pluimvee, varkens en vleesrunderen (artikel 1.19).
  • een rapport met de onderbouwing van de gevolgen voor de luchtkwaliteit bij een inrichting waar betonmortel of betonwaren wordt vervaardigd (artikel 1.16a).

Beschermingsniveau

In het Activiteitenbesluit zijn geen grenswaarden opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze zijn immers al opgenomen in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2. De grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer gelden voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen.

De bijdrage van de activiteiten op de luchtkwaliteit mag de grens van niet in betekenende mate (NIBM) niet overschrijden. Deze grens houdt een bijdrage van 3% van de grenswaarde van NO2 en fijnstof in, waarbij de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert. Voor activiteiten die mogelijk leiden tot een overschrijding van die grenswaarden, geldt een OBM.

Mogelijkheden voor maatwerk

De pagina Lucht in het Activiteitenbesluit noemt activiteiten, waarbij luchtemissies een rol spelen. Deze emissies kunnen gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Voorbeelden daarvan zijn emissies van een parkeergarage, een tankplaats, en motorrevisie: proefdraaien.

Voor parkeergarages met meer dan 20 parkeerplaatsen stelt het Activiteitenbesluit eisen als er een voorziening is: zoals een mechanische ventilatie (artikel 3.26e). Deze mechanische ventilatie moet voldoen aan eisen die zijn vermeld in artikel 3.27l Activiteitenregeling. Deze eisen hebben betrekking op de aanzuigopeningen, de uitblaasopening en de snelheid van de uitgeblazen lucht.

Het is ook mogelijk individueel maatwerk vast te stellen voor deze activiteiten met luchtemissies. Zo is het voor een parkeergarage mogelijk maatwerk vast te stellen voor een mechanische ventilatie (artikel 3.26e lid 2). Dit maatwerk heeft betrekking op:

  • de beperking van de emissie van benzeen.
  • de aanzuigopeningen en uitblaasopeningen van de mechanische ventilatie van een parkeergarage en de uitvoering en het onderhoud van de ventilatoren

Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om een gelijkwaardige voorziening toe te passen. De Deskundigenpool gelijkwaardigheid Activiteitenbesluit geeft hierover een advies. De deskundigenpool heeft adviezen gegeven over de mechanische ventilatie voor een parkeergarage. Gelijkwaardige voorzieningen die reeds zijn goedgekeurd zijn, hebben betrekking op een afwijkende hoogte uitblaasopening.

Als er maatregelen nodig zijn die niet in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen, fungeert de zorgplicht van artikel 2.1 als vangnet. Op grond daarvan kan alsnog een maatwerkvoorschrift worden gesteld. De zorgplichtbepaling heeft betrekking op:

Verkeersaantrekkende werking

De verkeersaantrekkende werking heeft ook invloed op de luchtkwaliteit. Hiermee moet al bij de bestemmingsplanfase rekening worden gehouden.

De inwerkingtreding van het artikel over verkeer en vervoer (artikel 2.16: het puntensysteem) is voor onbepaalde tijd uitgesteld. Het is mogelijk voor dit onderwerp via de algemene zorgplichtbepaling (art. 2.1 lid 2 onder k) maatwerk vast te stellen.