Toepasbaarheid

Op welke plaatsen hoeft u de luchtkwaliteit niet te beoordelen?

In de Wet milieubeheer staat op welke plaatsen u de luchtkwaliteit moet beoordelen. En ook op welke plaatsen u dat niet hoeft te doen (5.19 lid 2). Dit heet ook wel het ‘toepasbaarheidsbeginsel'. U hoeft de luchtkwaliteit niet te toetsen op de volgende plaatsen:

a. Plaatsen waar geen mensen mogen en kunnen komen.
b. Terreinen met één of meer inrichtingen, waar al regels gelden voor de gezondheid en veiligheid van werknemers.
c. Wegen (rijbanen en middenberm).

Hieronder lichten we dit toe. De oorspronkelijke toelichting vindt u bij de wijziging van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit (december 2008 (pdf, 1.3 MB)).

a. Plaatsen waar geen mensen mogen en kunnen komen

Op plaatsen waar geen mensen (‘publiek') mogen en kunnen komen, hoeft u de luchtkwaliteit niet te beoordelen. Want op die plaatsen komen mensen niet in aanraking met vervuilde lucht.

  • Het gaat in de eerste plaats om plaatsen waar mensen niet mogen komen. Bijvoorbeeld terreinen waar een bord ‘verboden toegang' staat.
  • Maar alleen zo'n bord is niet genoeg. Want het gaat in de tweede plaats ook om plaatsen waar mensen niet kunnen komen. Om het terrein moet bijvoorbeeld ook een hek staan.

Een voorbeeld van een plaats waar mensen wel kunnen, maar niet mogen komen is een wandelpad met een bord ‘verboden toegang'. Of u in die situatie de luchtkwaliteit moet beoordelen, hangt dan af van hoe lang mensen in aanraking komen met vervuilde lucht. Dat heet ook wel het ‘blootstellingscriterium'.

Voorbeelden van plaatsen waar geen mensen mogen en kunnen komen zijn natuurgebieden met een hek erom, terreinen van het ministerie van Defensie, akkers en spoorwegen.

b. Terreinen met één of meer inrichtingen, waar al regels gelden voor de gezondheid en veiligheid van werknemers

Op het terrein van een inrichting gelden al regels voor de gezondheid en veiligheid van werknemers. Daarom hoeft u daar de luchtkwaliteit niet te beoordelen. Dit geldt ook voor terreinen met meer bedrijven en bedrijfsverzamelgebouwen.

Worden bedrijfswoningen wel of niet getoetst aan de luchtkwaliteit? Bij het toetsen van vergunningaanvragen hangt dat af van het bedrijf waar deze woning bij hoort. Een bedrijfswoning wordt niet getoetst als deze bij de te toetsen inrichting hoort. Bedrijfswoningen van naastgelegen bedrijven moet het bevoegd gezag wel meenemen bij de toetsing. Deze krijgen dezelfde bescherming als iedere andere woning.

c. Wegen

Op rijbanen van wegen hoeft u de luchtkwaliteit niet te beoordelen. Dus bijvoorbeeld ook niet als een fietspad onderdeel is van de rijbaan.

  • Maar wat als er een fietspad vlak naast de weg is? Of een stoep? Beide zijn geen onderdeel van de rijbaan van de weg. Of u in deze situaties de luchtkwaliteit moet beoordelen, hangt af van hoe lang mensen in aanraking komen met vervuilde lucht. Zie het blootstellingscriterium.
  • De middenberm van de weg hoeft u niet te beoordelen. Want daar kunnen voetgangers normaal gesproken niet komen. Maar kunnen voetgangers wel komen op de middenberm? Bijvoorbeeld als er een oversteekplaats is of een bushalte? Ook dan hangt het af van hoe lang mensen in aanraking komen met vervuilde lucht of u moet beoordelen.

Bij wegen is het daarom verstandig niet alleen te bekijken of mensen er kunnen komen. Maar ook te bepalen hoe lang mensen in aanraking komen met vervuilde lucht.

Jurisprudentie

Er is jurisprudentie waarbij het toepasbaardheidsbeginsel door het bevoegd gezag is toegepast. Zie o.a.:
ABRvS 200903456/1/M2 van 3 maart 2010 (Nederweert) en ABRvS 200908034/1/M2 van 15 september 2010 (Landerd).