Normen en regels

Voor fijn stof en voor smog zijn er verschillende regels en normen. Zo moet er vanaf een bepaalde waarde gewaarschuwd worden voor smog en zijn er grenswaarden en advieswaarden voor fijn stof. Veel grenswaarden komen uit de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit.

Fijn stof

De grenswaarden voor PM2,5 en PM10 komen uit de Europese richtlijn (2008/50/EG) voor luchtkwaliteit. In besluiten moet een gemeente of provincie onderbouwen, dat aan de grenswaarde (jaargemiddelde) voor PM2,5 wordt voldaan. De Raad van State bevestigt dit in een uitspraak (juli 2016). In de Europese richtlijn staan ook andere normen voor PM2,5. Het gaat dan bijvoorbeeld om een norm voor de gemiddelde stedelijke achtergrondconcentratie PM2,5.

Die normen zijn vooral voor de rijksoverheid belangrijk. Aan deze normen hoeft het lokale bevoegd gezag niet te toetsen bij het nemen van een besluit. Naast deze normen en grenswaarden, heeft de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2005 advieswaarden voor onder andere PM10 en PM2,5 gepubliceerd.

Advieswaarden PM10 en pm2,5

Stof

Norm

Waarde

Opmerking

PM10

Jaargemiddelde grenswaarde

40 µg/m3

PM10

Daggemiddelde grenswaarde

50 µg/m3

Mag max. 35 keer per jaar overschreden worden

PM10

WHO advieswaarde (jaargemiddelde)

20 µg/m3

PM2,5

Jaargemiddelde grenswaarde

25 µg/m3

Sinds 2015

PM2,5

Blootstellingsconcentratie-verplichting

20 µg/m3

PM2,5

Indicatieve grenswaarde (EU)

20 µg/m3

Vanaf 2020. Geen bindende grenswaarde; staat niet in Nederlandse regelgeving.

PM2,5

WHO advieswaarde (jaargemiddelde)

10 µg/m3

Blootstellingsconcentratieverplichting

De grootschalige blootstelling aan PM2,5 moet op stedelijk niveau verminderen. Daarom geldt er vanaf 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting (BCV) van 20 microgram per m3, aangeduid als gemiddelde blootstellingsindex (GBI). De BCV geldt voor het landelijk gemiddelde van de stedelijke achtergrondconcentraties (gemiddeld over drie jaar). De verplichting is vooral een zaak van het rijk. De lokale bevoegde gezagen kunnen hier bij individuele besluiten niet aan toetsen.

Daarnaast gelden per 2010 richtwaarden voor de vermindering van de blootstelling van de mens. De richtwaarden zijn percentages ten opzichte van de gemiddelde blootstellingsindex (GBI) in 2010 en moeten zoveel mogelijk zijn bereikt op 1 januari 2020. Het doelpercentage is afhankelijk van de hoogte van de GBI in 2010:

GBI en doelpercentage vermindering
GBI

Doelpercentage vermindering

> 18 µg/m3

20 %

13 – 18 µg/m3

15 %

8,5 – 13 µg/m3

10 %

De minister van IenM neemt maatregelen in gevallen waarin de richtwaarde wordt overschreden of als een overschrijding dreigt. De maatregelen hebben als doel de richtwaarde te bereiken (Wm bijlage 2 voorschrift 4.6 en 4.7). Bij het nemen van zulke maatregelen worden de kosten meegewogen.

Smog

Smog treedt op als er verhoogde concentraties verontreinigende stoffen in de lucht zijn. De Smogregeling geeft aan wat nationale, regionale en lokale overheden moeten doen in het geval dat smog optreedt. Ook kunnen provinciale overheden tijdelijke maatregelen nemen om smog te verminderen.

Maatregelen om smog te verminderen
De commissarissen van de Koning kunnen in Nederland tijdelijke maatregelen afkondigen om de duur en de ernst van de smogsituatie te beperken, maar dit is geen verplichting. Smog door ozon en fijn stof wordt maar in beperkte mate veroorzaakt door lokale bronnen van luchtverontreiniging. Maatregelen als verlaging van de maximumsnelheid van het verkeer, hebben veelal een lokaal karakter. Zulke maatregelen hebben een verwaarloosbaar effect op het verbeteren van de luchtkwaliteit bij smog en op het wegnemen van gezondheidseffecten van smog.

Op korte termijn hebben emissiebeperkende maatregelen dus weinig rendement, maar ze kunnen zeer ingrijpend zijn en grote maatschappelijke gevolgen hebben. Daarom is er in Nederland geen verplichting om tijdelijke emissiebeperkende maatregelen te nemen wanneer bepaalde smogniveaus worden bereikt. Nederland probeert wel de frequentie van smog en de ernst ervan te verminderen door structurele maatregelen. Een voorbeeld hiervan is een blijvende vermindering van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen door bijvoorbeeld het verkeer en de industrie.

De kans op ernstige smog door te hoge concentraties SO2 en NO2 is uiterst klein. Structurele emissies van deze stoffen door de zogenaamde gecontroleerde bronnen kunnen bijna zeker niet de oorzaak van ernstige smog zijn. Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld bij een calamiteit, is het niet geheel uitgesloten.


Uw onderwerpen