3.2.3 Meetonzekerheid

Er is een trend om in plaats van de reproduceerbaarheid en de juistheid de meetonzekerheid als prestatiekenmerk te gebruiken, die een combinatie van beide is. De meetonzekerheid is opgebouwd uit onzekerheidsbronnen bij de monsterneming, monsterbehandeling en analyse. Als maat voor de meetonzekerheid wordt het betrouwbaarheidsinterval (BI) gehanteerd. Meestal wordt hiervoor een waarschijnlijkheid van 95% gebruikt (zogenaamde 95% betrouwbaarheidsinterval). Dit betekent dat de kans dat de ware waarde zich binnen dit interval bevindt 95% is. De grootte van de meetonzekerheid kan worden ontleend aan de betreffende meetnorm of kan worden geschat door de meetinstantie die de metingen uitvoert. Er zijn procedures voor de berekening van de meetonzekerheid. (Zie hiervoor NEN-EN-ISO 14956). De statistische basisgegevens zijn te vinden in de meetnormen en de specificaties van de meetinstrumenten.

In de Nederlandse en Europese wetgeving wordt de maximaal toegestane meetonzekerheid in de resultaten van continue bedrijfsmeetsystemen (als 95% betrouwbaarheidsinterval) uitgedrukt in een percentage van de emissie-eis. Door berekeningen kan worden aangetoond of met het betreffende meetsysteem aan de gestelde eis kan worden voldaan. Op grond van een aantal statistische overwegingen wordt aangenomen dat het betrouwbaarheidsinterval van het gemiddelde gelijk is aan dat van de individuele waarneming. Het gemeten gemiddelde wordt vóór toetsing verminderd met het betrouwbaarheidsinterval van de individuele waarneming. Wanneer het gecorrigeerde gemiddelde dan kleiner is dan de emissie-eis, betekent dit dat de emissie-eis niet significant wordt overschreden.

Voor afzonderlijke metingen die worden uitgevoerd door een daartoe geaccrediteerde meetinstantie geldt dat deze meetinstantie middels het haar opgelegde kwaliteitssysteem moet kunnen aangeven wat de grootte van het betrouwbaarheidsinterval van het meetresultaat is. Dit interval is doorgaans kleiner dan het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor continue bedrijfsmetingen. De toetsing aan emissie-eisen kan worden uitgevoerd op de gemiddelde meetwaarde verminderd met een door de meetinstantie aangetoond 95%-betrouwbaarheidsinterval. Hierbij wordt opgemerkt dat wanneer het gemiddelde van meerdere deelmetingen (n) wordt getoetst, de door de meetinstantie opgegeven meetonzekerheid moet worden gedeeld door √n. Dit laatste is het geval bij metingen in het kader van de vergunning (NeR)

Overigens moeten bij metingen voor andere doeleinden dan toezicht (zoals bijvoorbeeld garantiemetingen) heldere afspraken worden gemaakt over de wijze waarop met de onzekerheid wordt omgegaan.


Uw onderwerpen