Biomassa in het Activiteitenbesluit

De verschillende emissieregimes worden nader uitgewerkt en de belangrijkste aspecten worden benoemd.

Het regime van Hoofdstuk 3 (paragraaf 3.2.1)

Stookinstallaties

Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een "technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken." Hoofdstuk 3 is van toepassing op alle stookinstallaties. Zo zijn bijvoorbeeld de water- en bodemvoorschriften van toepassing op alle stookinstallaties. De artikelen over de emissies naar lucht daarentegen zijn alleen van toepassing op de hier specifiek benoemde stookinstallaties. Dit zijn de gasmotoren, gasturbines, ketelinstallaties of dieselmotoren. Dit is terug te vinden in artikel 3.7

Artikel 3.7 geeft ook aan op welke stookinstallaties de artikelen over emissies naar lucht niet van toepassing zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor noodvoorzieningen welke minder dan 500 uur in gebruik zijn. Ook uitgesloten zijn ketelinstallaties met een vermogen onder de 400 kW waarin een andere brandstof dan biomassa gestookt wordt.

Uitbreiding brandstofbegrip

Het vroegere BEES B (de voorloper van het BEMS) zag op fossiele brandstoffen. In het huidige Activiteitenbesluit is deze inperking losgelaten en vallen ook andere brandstoffen eronder. Hoofdstuk 3 kent in feite 3 soorten brandstoffen. Dit zijn vaste, vloeibare en gasvormige. Voor bepaalde brandstoffen zoals bijvoorbeeld biomassa, aardgas en gasvormige brandstof niet zijnde aardgas gelden aparte emissie-eisen welke allemaal in de tabellen terug te vinden zijn. Deze tabellen maken onderscheid naar soort brandstof, soort stookinstallatie en vermogen van de installatie. De tabellen geven emissie-eisen voor NOx, SOx, stof en in enkele gevallen CxHy.

Vergunningplicht volgens het Besluit omgevingsrecht (BOR)

Het BOR bepaalt welke inrichtingen vergunningplichtig zijn. Het BOR geeft in categorie 1.4 aan dat het verstoken van andere brandstoffen dan aardgas, propaan, butaan, vloeibare brandstof, biodiesel (die voldoet aan NEN-EN 14214), biogas of biomassa (<15 MW) en houtpellets (<15 MW) leidt tot vergunningplicht.

Vloeibare brandstof is in het BOR limitatief gedefinieerd als "lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 Wet op de accijns". Het is dus niet zo dat elke brandbare vloeistof gezien kan worden als vloeibare brandstof. Een voorbeeld hiervan is pyrolyse-olie. Dit is wel een "brandbare vloeistof" maar geen "vloeibare brandstof". Het verstoken hiervan leidt dus tot vergunningplicht.

Daarnaast bepaalt het BOR in artikel 1.3 dat inrichtingen waar een opgesteld vermogen van meer dan 50 MW (th) aanwezig is altijd vergunningplichtig zijn. Dit geldt ook voor inrichtingen waar verbrandingsmotoren met een vermogen van meer dan 15 MW (as) aanwezig zijn.

Standaardbrandstoffen, niet-standaard brandstoffen en vergunningplicht

Het verstoken van brandstoffen die niet genoemd zijn in categorie 1.4 van het BOR (de niet-standaardbrandstoffen) leidt altijd tot vergunningplicht.

Het Activiteitenbesluit bepaalt (artikel 3.7 lid 6) dat, wanneer er sprake is van vergunningplicht op basis van het BOR, de gehele paragraaf 3.2.1 niet van toepassing is. In paragraaf 3.2.1 staan ondermeer de emissie-eisen voor de standaardbrandstoffen. De emissie-eisen moeten dan in de vergunning worden opgenomen. Daarnaast geldt ook de rest van paragraaf 3.2.1 dan niet voor deze stookinstallatie.

Een vergunningplichtige inrichting is een "type C inrichting" in het Activiteitenbesluit. Artikel 3 bepaalt dat hoofdstuk 3 ook van toepassing is op type C inrichtingen. Wanneer er dus sprake is van een gasmotor, een gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor gelden de eisen uit de tabellen voor de in de tabellen genoemde stoffen (Nox, SO2, stof, CxHy) voor de brandstoffen in de tabellen.

Voor de niet specifiek benoemde stookinstallaties (zoals procesfornuizen) moeten de eisen ook in de vergunning opgenomen worden voor zover er vergunningplicht is. Dit geldt zowel voor de stoffen in de tabellen als voor de andere emissies.

Wanneer de niet specifiek benoemde stookinstallaties wel standaardbrandstoffen stoken gelden er ook geen emissie-eisen op grond van hoofdstuk 3.2.1. In dat geval zullen eventuele emissie-eisen met maatwerk opgelegd moeten worden. De rest van paragraaf 3.2.1 geldt voor deze stookinstallaties wel. Dit komt omdat er standaardbrandstoffen gestookt worden en artikel 3.7 lid 6 dus geen toepassing heeft.

In tabelvorm ziet dit er qua emissie-eisen als volgt uit:

Emissie-eisen

Bakkerij oven e.d.

Geen eisen (meest waarschijnlijk) of evt. maatwerk obv zorgplicht

vergunning

Stookinstallatie (<50 MW)

standaard brandstoffen

Niet-standaard brandstoffen

Ketel e.d.

Par. 3.2.1

vergunning

Procesfornuis e.d.

Vergunning/maatwerk (meest waarschijnlijk) of geen eisen

vergunning

Het regime van § 5.1 (grote stookinstallaties)

Paragraaf 5.1 geeft voorschriften over het in werking hebben van een grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer. Deze zijn vergunningplichtig naast de voorschriften die vanuit het Activiteitenbesluit gelden.

Hierbij geldt dat kleinere stookinstallaties vanaf 15 MW die op één schoorsteen aangesloten (kunnen) zijn bij elkaar opgeteld moeten worden. Zo vallen bijvoorbeeld twee ketels van 30 MW die op 1 schoorsteen aangesloten zijn toch onder paragraaf 5.1.

Het regime van § 5.2 (afvalverbranding)

Dit is het regime voor afvalverbranding en handelt in grote lijnen over de installaties die eerder onder het BVA vielen. Dit zijn de installaties waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden (mee)verbrand. Wanneer paragraaf 5.2 van toepassing is vallen alle met de afvalverbranding verband houdende voorzieningen onder deze paragraaf. Deze installaties zijn vergunningplichtig.

Paragraaf 5.2 is niet van toepassing op het verbranden van biomassa ongeacht of het een afvalstof is. Dit betekent dat het verbranden van biomassa onder paragraaf 3.2.1 valt of paragraaf 5.1 valt, afhankelijk van de grootte van de stookinstallatie.

Pyrolyse en vergassing van afvalstoffen

In de definities in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit zijn de begrippen afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie opgenomen. In beide begrippen wordt aangegeven dat ook andere thermische behandelprocessen (zoals pyrolyse en vergassing) waarbij de producten vervolgens verbrand worden nog steeds maken dat de installatie een afvalverbrandings- of meeverbrandingsinstallatie is. Dit is ook terug te vinden in artikel 5.15 lid 4 waarin gesteld wordt dat zowel het proces van thermische behandeling als het proces van verbranding onder de afval(mee)verbrandingsinstallatie valt.

Met andere woorden, het eerst pyrolyseren of vergassen van afval resulteert er niet in dat er geen sprake meer is van afvalverbranding.


Uw onderwerpen