c Toelichting stankbeleid

Onderscheid hinder - ernstige hinder

Op nationaal niveau wordt een onderscheid gemaakt tussen hinder en ernstige hinder; zo is dit ook verwoord in de NMP-doelstellingen voor het thema verstoring. In de uitvoeringspraktijk van individuele situaties blijkt dit onderscheid lastig te hanteren en moeilijk uit te leggen. Om deze reden wordt bij de uitvoering van het stankbeleid het onderscheid hinder - ernstige hinder niet meer gehanteerd.

In plaats daarvan kan door het bevoegd bestuursorgaan het niveau worden vastgesteld waarbij sprake is van hinder die acceptabel wordt geacht. De wijze waarop dit wordt vastgesteld wordt aan het bevoegd bestuursorgaan overgelaten. Indien een bedrijfstakstudie voorhanden is wordt mede op basis van de daarin opgenomen informatie het hinderniveau vastgesteld; in een bedrijfstakstudie wordt onder andere rekening gehouden met het kenmerkende type geur en wordt aandacht besteed aan de relatie geurconcentratie - geurhinder.

Hindersystematiek stank

Wanneer geen bedrijfstakstudie voorhanden is, zal op een andere manier het hinderniveau moeten worden bepaald. Op dit moment wordt door vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en ambtenaren van het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Directoraat Generaal Milieubeheer (DGM) een systematiek c.q. handreiking opgesteld voor de wijze waarop het hinderniveau kan worden vastgesteld. Deze handreiking moet antwoord geven op de vraag welke methoden voor het bepalen van hinder en/of het meten van geurconcentraties of combinaties daarvan in welke situatie het beste bruikbaar zijn. Vooral wanneer er geen bedrijfstakstudie voorhanden is, kan deze handreiking behulpzaam bij het kiezen van de meest geschikte methode(n). Deze systematiek zal worden voorgedragen voor vastlegging in de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht (NeR). Dit draagt bij aan een uniforme benadering van de bedrijven en biedt de vergunningverleners houvast voor het bepalen van een hinderniveau, dat acceptabel wordt geacht. Wanneer de bovenstaande systematiek in individuele situaties tot onredelijkheid leidt kan door vergunningverleners gemotiveerd worden afgeweken van deze systematiek. In de zomer van 1995 zal deze systematiek gereed zijn.

Hinderniveau en het nemen van maatregelen

Het uitgangspunt van het beleid is het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van hinder. Het bevoegd bestuursorgaan stelt vast of er hinder bestaat. In de meeste gevallen geeft de historie van een bestaande bron hiervoor een belangrijke indicatie. In overleg met het bedrijf worden maatregelen conform het ALARA principe geformuleerd om de hinder weg te nemen c.q. zoveel mogelijk te beperken. Aspecten die bij dit proces een rol kunnen spelen zijn de historie van het bedrijf in zijn omgeving, de aard en de waardering van de geur, het klachtenpatroon en andere beschikbare informatie over de hinder en (mogelijke) emissies, de technische en financiële consequenties van mogelijke maatregelen, de consequenties voor de werkgelegenheid, etc. De resultante van dit uitgebreide afwegingsproces is dan het zogenaamde acceptabel hinderniveau.

Bij de categorie-1 bedrijven vindt deze afweging primair op bedrijfstakniveau plaats. Uitgangspunt hierbij is dat in de meeste gevallen de maatregelen leiden tot een acceptabel hinderniveau. Het bevoegd bestuursorgaan dient vast te stellen of de maatregelen inderdaad leiden tot een acceptabel hinderniveau en kan derhalve gemotiveerd afwijken van de NeR. Bij vergunningverlening staat het het bevoegd bestuursorgaan vrij om in de vergunning de maatregelen (als middelvoorschrift) vast te leggen en/of de geuremissies (als doelvoorschrift) op te nemen; wel dient het voorschrift steeds voldoende handhaafbaar te zijn.

Nationale doelstellingen

De nationale doelstellingen voor stank blijven ongewijzigd; uitgangspunt blijft het voorkomen c.q. verminderen van hinder wat impliceert dat ook ernstige hinder wordt voorkomen. Het bevoegd bestuursorgaan zal conform dit uitgangspunt streven naar het voorkomen van (nieuwe) hinder. Het bereiken van de NMP-doelstellingen voor stank is hiermee mede afhankelijk van de inspanningen en afwegingen zoals die op lokaal niveau zullen plaatsvinden.

Bovengrens

In het algemeen is er boven de 10 ge/m3 als 98 percentiel sprake van ernstige hinder. Uit recent beschikbaar gekomen informatie blijkt dat het voor kan komen dat bij een hogere geurconcentratie dan 10 ge/m3 als 98-percentiel geen ernstige hinder optreedt. Ook blijkt uit verschillende uitgevoerde onderzoeken naar de relatie tussen geurhinder en geurconcentratie dat er ook sprake kan zijn van ernstige hinder bij concentraties vanaf circa 2-3 ge/m3 als 98-percentiel. Gezien het bovenstaande kent de waarde van 10 ge/m3 als 98-percentiel niet langer de ‘status' van bovengrens.

De 10 ge/m3 als 98-percentiel is voor bestaande inrichtingen een rekenwaarde voor de beoordeling van de verschillende scenario's die voor het bepalen van het maatregelenpakket op basis van ALARA worden gehanteerd.

Er is dus geen sprake meer van een uniforme, landelijke kwantitatieve bovengrens. Werd in het verleden voor een kwantitatieve benadering gekozen met als uitgangspunt geurconcentratienormen, met de huidige aanpassingen wordt meer de nadruk gelegd op een kwalitatieve benadering waarbij voorkomen c.q. zoveel mogelijk beperken van hinder en toepassen van ALARA de bepalende criteria zijn. Geurconcentraties zullen vooral worden gebruikt als rekenkundig hulpmiddel bij het bepalen van de maatregelen.

Nieuwe inrichtingen

In de Herziene Nota Stankbeleid is aangegeven dat bij de vergunningverlening voor zowel nieuwe als bestaande inrichtingen toepassing van het ALARA principe uitgangspunt is. Daarbij is gesteld dat voor nieuwe inrichtingen daarmee in het algemeen een waarde van 1 ge/m3 als 99,5-percentiel zal kunnen worden gehaald. Er is echter geen sprake van een algemene norm voor nieuwe inrichtingen. Aangezien dit in de praktijk heeft geleid tot verwarring is besloten tot het schrappen van de passage over de waarde 1 ge/m3 als 99,5-percentiel als algemeen haalbare waarde.

Belangrijk is dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat er naar gestreefd moet worden om het ontstaan van nieuwe hinder te voorkomen. Daartoe zal het bevoegd bestuursorgaan bij nieuwe inrichtingen of bedrijfsontwikkelingen bij bestaande inrichtingen dat beschermingsniveau voorschrijven dat met toepassing van artikel 8.11, derde lid, Wet milieubeheer mogelijk is: toepassing stand der techniek. Blijkt dit niet voldoende te zijn voor het voorkomen van hinder dan moet door het bevoegd bestuursorgaan worden bezien of er andere mogelijkheden zijn om ontstaan van hinder te voorkomen. Bijvoorbeeld kan in het vooroverleg van de vergunningaanvraag de lokatiekeuze in overweging worden genomen: de lokatie van de inrichting ten opzichte van het milieugevoelige object (met name woningbouw) alsook de mogelijkheid van een andere lokatie binnen het bedrijventerrein. Ook kunnen alternatieve technieken met een hoger milieurendement worden geëist. Indien op deze wijze nieuwe hinder niet (geheel) kan worden voorkomen, dient het bevoegd bestuursorgaan een afweging te maken tussen de nieuwe hinder, de belangen die met de vestiging van de nieuwe inrichting verbonden zijn en de eventuele uitbreiding van woningbouw.