Bodem- en veiligheidsvoorschriften voor opslag in verpakking

Het Activiteitenbesluit kent voorschriften voor het opslaan van gevaarlijke stoffen en CMR (Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch)-stoffen in verpakking. De voorschriften gelden niet voor vuurwerk, vaste kunstmeststoffen, asbest, gedemonteerde airbags en gordelspanners en andere ontplofbare stoffen.

De voorschriften gelden alleen voor bedrijven die helemaal onder het Activiteitenbesluit vallen (type A en B). De voorschriften gelden niet voor bedrijven die een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben (type C). Voor de opslag van sommige gevaarlijke stoffen is er vergunningplicht. Ook de opslagcapaciteit binnen een bedrijf kan tot vergunningplicht leiden.

Werkingssfeer

In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn in hoofdstuk 4, afdeling 4.1, paragraaf 4.1.1 voorschriften opgenomen voor de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR (Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch) stoffen in verpakkingen. De voorschriften verwijzen naar delen van de PGS 15.

De voorschriften in het Activiteitenbesluit gelden niet als de inrichting vergunningplichtig is (type C).

werkingssfeer voor het opslaan van gevaarlijke stoffen en CMR stoffen
Activiteit Bor bijlage 1 Type C /vergunningplicht
Opslaan gevaarlijke stoffen in verpakkingen B, lid 1 onder a Bevi van toepassing
Opslaan van gassen in gasflessen

C, Categorie 2.7 a tot en met c

Opslag van verschillende specifieke gassen in gasflessen
Opslaan gevaarlijke stoffen in verpakkingen C, Categorie 4.4 sub g en h bepaalde ADR klasse, soms met bovengrens
Opslag meer dan 10 ton in opslagvoorziening C, Categorie 4.4 sub j, 1 meer dan 10 ton per opslagvoorziening
Tijdelijk opslag van meer dan 10 ton buiten een reguliere opslagvoorziening

C, Categorie 4.4 sub i, 2 en 3

tijdelijk meer dan 10 ton per brandcompartiment

Veiligheidsafstanden

In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen vanaf de opslagvoorzieningen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen tot aan de dichtstbijzijnde woning van derden.

Voor de opslag van meer dan 2.500 kg gevaarlijke stoffen in verpakking en minder dan 10.000 kg geldt een veiligheidsafstand van ten minste 20 meter (artikel 4.1). De afstandseisen gelden zodra er brandbare gevaarlijke stoffen in de opslagvoorziening aanwezig zijn.
Basis van de afstand is het voorkomen van brandoverslag en bereikbaarheid van de opslagvoorziening bij brand. UIt onderzoek van TNO en het RIVM blijkt dat de afstand van 20 meter voldoende groot is om risicovolle situaties door het ontstaan van toxische verbrandingsproducten te voorkomen.

Ook blijkt uit onderzoek van TNO en RIVM dat deze veiligheidsafstand 8 meter is als:

  • de opslagvoorziening een Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) heeft van 60 minuten of
  • tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang is (artikel 4.1 lid 3). In de Activiteitenregeling (artikel 4.1 lid 4) staat wat een voldoende brandwerende voorziening is (brandmuur met een WBDBO van 60 minuten met een hoogte van twee meter en een lengte van twee meter aan weerszijden van de opslagvoorziening).

De afstandsbepalingen wijken af van de formulering kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Dit omdat ook in de oude 8.40-AMvB's het begrip 'woning van derden' stond. Om te voorkomen dat er situaties ontstaan dat een bedrijf niet meer aan een afstandseis voldoet door een begripswijziging, is ook in het Activiteitenbesluit het begrip 'woning van derden' gebruikt.

Bij een opslagvoorziening in de buitenlucht voor meer dan 1.000 liter gasflessen met brandbare waterinhoud, geldt een afstand van 15 meter tussen de opslagvoorziening en een woning van derden. Als tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is, geldt de helft van de afstand (7,5 meter).

Als het gaat om twee opslagvoorzieningen van elk 500 liter gasflessen met brandbare inhoud geldt de afstand niet. Volgens voorschrift 6.2.6 van de PGS 15 (artikel 4.4a Activiteitenregeling) gelden er intern aan te houden afstanden tot bijvoorbeeld brandbare objecten. In de Activiteitenregeling staat ook aan welke eisen een opslagvoorziening - zowel in de buitenlucht gesitueerd als binnen een gebouw - moet voldoen.

Definities verpakking

In het Activiteitenbesluit of de Activiteitenregeling staat geen definitie van verpakking. In de PGS 15 wel: Een verpakking die is toegelaten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, inclusief grote verpakkingen en IBC.

  • Het begrip 'grote verpakking' is in het ADR gedefinieerd als een verpakking die bestaat uit een buitenverpakking die voorwerpen of binnenverpakkingen bevat die:
    a) ontworpen is voor de behandeling met mechanische hulpmiddelen en
    b) een netto massa van meer dan 400 kg of een inhoud van meer dan 450 liter, maar een inhoud van ten hoogste 3 m3 heeft.
  • Een IBC is een Intermediate Bulk Container, een stijve of flexibele verpakking die in hoofdstuk 6.5 van het ADR is genoemd.

Ook een gasfles, een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van maximaal 150 liter, valt onder de definitie van verpakking.

PGS 15 als basis

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en verpakte CMR (Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch)- stoffen (Activiteitenregeling artikel 4.3), spuitbussen, stoffen van de klasse 4 en gasflessen (artikel 4.4) voldoen aan de aangegeven hoofdstukken van PGS 15.

Voor de volgende verpakte gevaarlijke stoffen gelden deze eisen niet (zie Activiteitenregeling artikelen 4.3 en 4.6):

  • Stoffen van ADR-klasse 1, 7 en 9 met uitzondering van de stoffen met classificatiecode M6 en M7 ‘stoffen die het aquatisch milieu verontreinigen'.
  • Stoffen van ADR klasse 6.2 categorie I1 en I2.
  • Specifieke stoffen van klasse 3, zoals alcoholhoudende drank in consumentenverpakking en dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 60 graden Celsius en 100 graden Celsius.
  • Opslag van loodzuuraccu's , hiervoor zijn aparte voorschriften opgenomen in de Activiteitenregeling (artikel 4.4c).
  • De werkvoorraad, de in een verkoopruimte aanwezige opslag, de opslag in vervoerseenheden, de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking die staan aangesloten op leidingen en de tijdelijke opslag. Voor deze opslag - behalve voor de werkvoorraad - zijn aparte voorschriften gesteld (zie Activiteitenregeling artikelen 4.7, 4.8 en 4.9).
  • Gasflessen met kooldioxide met een doelmatige drukontlastvoorziening, kooldioxide bij horeca en blusgas (Activiteitenregeling artikel 4.4a).
  • Hoeveelheden gevaarlijke stoffen in verpakkingen onder de ondergrenzen zoals genoemd in tabel 4.6 van de Activiteitenregeling. Voor gelimiteerde hoeveelheden geldt een vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid.

Tijdelijke opslag

In Activiteitenregeling artikel 4.7 staan de voorschriften over de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. De tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen vindt plaats in:

  • één of meer opslagvoorzieningen of
  • in één of meer laad- en losgedeelten tijdens de aanwezigheid van een deskundige

De deskundige is een vakbekwaam persoon met voldoende vakbekwaamheid over het omgaan met gevaarlijke stoffen en het bestrijden van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

In de genoemde opslagvoorzieningen of de laad- en losgedeelten zijn de volgende stoffen niet aanwezig:

  • verpakkingsgroep I van het ADR
  • ADR klasse 1
  • ADR klasse 2 gevaarsetiket 2.3
  • ADR klasse 7
  • ADR klasse 5.2 (organische peroxiden) behalve in gelimiteerde hoeveelheden (LQ) tot 1.000 kg
  • ADR klasse 6.2 behalve de UN-nummers 3291 en 3373
  • gasflessen

Tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en CMR (Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch)-stoffen voldoet volgens artikel 4.7 van de Activiteitenregeling aan de genoemde voorschriften van hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5 van de PGS 15. In een tijdelijke opslagvoorziening is de gezamenlijke hoeveelheid gevaarlijke stoffen en CMR stoffen in verpakking maximaal 10.000 kilogram per brandcompartiment. Als de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen en CMR stoffen in een laad- of losgedeelte tijdens de aanwezigheid van een deskundig persoon niet staat in een brandcompartiment met een WBDBO van 60 minuten of hoger mag er ten hoogste 10.000 kilogram binnen de inrichting aanwezig zijn.

Let op, in hoofdstuk 5 van de PGS 15 staat in voorschrift 5.4.1 ook een verwijzing naar hoofdstuk 3 van de PGS 15. Deze verwijzing geeft een aantal andere van toepassing zijnde voorschriften. De Activiteitenregeling verwijst hier niet naar en deze voorschriften zijn niet van toepassing.

Artikel 4.7 zevende lid van de Activiteitenregeling geeft overgangsrecht bij PGS 15 voorschriften 5.5.2 en 5.6.5, die maximaal 2.000 kg of liter ADR klasse 3 stoffen toestaan in een brandcompartiment voor tijdelijke opslag. Voorheen mocht maximaal 2.000 kg of liter aanwezig zijn per opslagvoorziening en gold voor type B bedrijven een maximum van 10.000 kg of liter per brandcompartiment. Er kunnen zich meerdere opslagvoorzieningen in een brandcompartiment bevinden. Dit is dus een aanscherping van de regels voor inrichtingen die meerdere opslagvoorzieningen met elk 2.000 kg of liter ADR klasse 3 stoffen hebben binnen één brandcompartiment. Het overgangsrecht geeft tot 1 oktober 2020 de tijd om de opslag van ADR klasse 3 stoffen terug te brengen tot 2.000 kg of liter per brandcompartiment.

Opslag in verkoopruimte

Artikel 4.8 van de Activiteitenregeling regelt de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen in verkoopruimten die voor het publiek toegankelijk is.

Door het gebruik van lekbakken onder vloeistoffen van ADR klasse 3, is opslag van meer gevaarlijke stoffen mogelijk.

Zonder lekbakken mag volgens tabel 4.8 maximaal 300 liter van ADR klasse 2 en 3 opslag staan in een verkoopruimte, met lekbakken 800 liter. Deze hoeveelheden zijn beperkt als boven de verkoopruimte een ruimte aanwezig is van derden met een woon-, bijeenkomst-, onderwijs- en/of logiesfunctie. Dan is rmaximaal 150 en 300 liter toegestaan. Als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen deze bovenliggende ruimte en de verkoopruimte minder dan zestig minuten is, is maximaal 75 en 150 liter toegestaan.

Maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking in de verkoopruimte in liters
Soort verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen Wel woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, gezondheidszorg-, cel- en/of logiesfunctie boven verkoopruimten Geen woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, gezondheidszorg-, cel- en/of logiesfunctie boven verkoopruimten1
ADR klasse 3 zonder lekbak ADR klasse 3 boven lekbak ADR klasse 3 zonder lekbak ADR klasse 3 boven lekbak
I Gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen, exclusief III, maar inclusief II

500

750

1.000

1.500

II ADR klasse 2 en 3, m.u.v. gebruiksklare ruitensproeier-vloeistof met vlampunt > 400 C

Wbdbo2 tussen verkoopruimte en woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie

  • ≤ 60 minuten: 753
  • ≥ 60 minuten: 150

Wbdbo2 tussen verkoopruimte en woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie

  • ≤ 60 minuten: 1503, 4
  • ≥ 60 minuten: 3004

300

8004

III Verfproducten, die als gevaarlijke stoffen volgens het ADR, klasse 3 zijn aangewezen, in metalen verpakking

8.000

1 Als de verkoopruimte niet onder woon-, bijeenkomst-, onderwijs-, cel-, gezondheidszorg- en/of logiesfunctie(s) (van derden) is gelegen, gelden de maximale hoeveelheden per brandcompartiment.

2 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

3 Opslag in een verkoopruimte zonder een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van minimaal 60 minuten is alleen toegestaan bij individuele consumentenverpakkingseenheden met een inhoud van ten hoogste 5 liter.

4 De hoeveelheid gevaarlijke stoffen in verpakking van ADR klasse 3 zoals hier genoemd, wordt in of boven een lekbak geplaatst als meer dan 5 liter aanwezig is op een stelling. De stelling is maximaal 1.35 meter breed en kan bestaan uit meerdere schappen boven elkaar. Het aantal schappen maakt daarbij niet uit.

Opslag van bodembedreigende gevaarlijke stoffen

In artikel 4.10 van de Activiteitenregeling staat de eis van opslag van verpakte bodembedreigende vloeistoffen in een deugdelijke verpakking. Dit is bijvoorbeeld een verpakking die voldoet aan de eisen van de ADR. De opslag vindt plaats op een vloeistofkerende vloer of een andere bodembeschermende voorziening. Met beheermaatregelen is sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico. De eisen van de ADR zijn bedoeld voor transport. Terwijl het hier gaat om opslag waarbij ook andere verpakking, mits deugdelijk, prima kunnen volstaan. De werkvoorraad aan gevaarlijke stoffen en bodembedreigende stoffen sluit aan op het vierde lid van de PGS 15. Een werkvoorraad aan brandbare vloeistoffen van meer dan 50 liter vindt vanuit veiligheidsoogpunt plaats boven een lekbak. Deze lekbak is brand- en productbestendig en moet 100% van de opgeslagen stoffen kunnen bevatten.

Maatwerk

Artikel 4.4d van de Activiteitenregeling regelt, in aansluiting op de PGS 15, dat maatwerk mogelijk is als redelijkerwijs niet aan de PGS 15 voorschriften kan worden voldaan. Het bevoegd gezag mag alleen maatwerk stellen als de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet. Dat betekent dat afwijken van PGS 15 goed gemotiveerd moet worden.

Het bevoegd gezag kan voor inrichtingen opgericht voor 1 januari 2008 en waarvoor tot dat tijdstip een vergunning of besluit gold, maatwerkvoorschriften stellen aan de bouwkundige eisen zoals opgenomen in voorschrift 3.2.2 van PGS 15. Het maatwerkvoorschrift kan alleen minder strenge eisen aan de bouwkundige voorzieningen stellen.

Vragen en antwoorden