Geluid en een goede ruimtelijke ordening

De Wet geluidhinder en de Wet luchtvaart zijn twee specifieke wettelijke kaders (en de daarop gebaseerde besluiten) ter voorkoming van geluidshinder die in acht genomen moeten worden bij ruimtelijke planvorming. Zij hebben betrekking op een aantal geluidsgevoelige bestemmingen in combinatie met een aantal belangrijke geluidsbronnen. Toch wil dat niet zeggen dat als deze wetten in acht worden genomen, er geen verdere akoestische afweging bij de vaststelling van bijvoorbeeld een bestemmingsplan meer nodig is. Zo is bijvoorbeeld een nieuwe horecabestemming (buitenrecreatie) die grenst aan een begraafplaats, vanwege de geluidsaspecten mogelijk in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld, moet in het kader van de Wro toch een akoestische afweging gemaakt worden.

Zelfs als een geluidsgevoelige bestemming al is beoordeeld in het kader van de Wgh moet vanwege de aanwezigheid van een andere geluidsbron die niet onder de Wgh valt, in het kader van een “goede ruimtelijke ordening” een aanvullende beoordeling plaatsvinden. Een voorbeeld hiervan is een woning die is gelegen in een zone van een weg waar ook de geluidsbelasting van scheepslawaai plaatsvindt (zie ABRvS 200602487/1).

Hieronder wordt een aantal geluidsbronnen/bestemmingen besproken die in het kader van het aspect geluid in de ruimtelijke planvorming mede aandacht behoeven.

Industrielawaai
In de Wgh wordt verhoudingsgewijs maar een klein gedeelte van het industrielawaai gereguleerd. De meeste bedrijven bevinden zich namelijk niet op gezoneerde industrieterreinen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet voor de bescherming tegen industrielawaai gekeken worden hoe bedrijven ten opzichte van andere (geluidsgevoelige) bestemmingen en omgekeerd kunnen worden gesitueerd.

Bij het bestemmen van nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij (nieuwe) geluidsgevoelige bestemmingen is de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” een belangrijk hulpmiddel. Deze publicatie geeft voor verschillende situaties via stappenplannen een basis voor een goede afweging van een aantal milieuaspecten, waaronder geluid. In deze publicatie is onder andere een richtafstandenlijst opgenomen. Hierin staan voor een scala aan typen bedrijvigheid richtafstanden tot (geluid)gevoelige bestemmingen. De Afdeling Bestuursrechtspraak erkent deze publicatie als basis voor afweging die gemaakt moet worden. Afwijken van de richtafstandenlijst is mogelijk, maar moet dan wel gemotiveerd worden. Enkel een verwijzing is echter een onvoldoende motivering (ABRvS 200601433/1).

Ook bij het bestemmen van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande bedrijven kan de bovengenoemde VNG-publicatie als hulpmiddel dienen. Daarnaast moet gekeken worden naar de bestaande geluidbelasting ten gevolge van de aanwezige bedrijven. In het kader van een goede belangenafweging (een vereiste in het kader van de Algemene wet bestuursrecht) kan het bevoegd gezag niet zonder meer de geluidsruimte van een bedrijf beperken. De geluidsruimte (als resultaat van de vergunde activiteiten) is voor de wat grotere bedrijven vastgelegd in de omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige inrichting. Een groot deel van de bedrijven heeft een dergelijke omgevingsvergunning niet nodig, maar valt onder het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn ook voor geluid milieuvoorschriften opgenomen, waaraan een dergelijk type bedrijf moet voldoen. Deze voorschriften kunnen bepalend zijn voor de benodigde afstand tussen het bedrijf en gevoelige functies in de omgeving.

Hoewel de vergunde geluidsruimte in de omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen of de standaard geluidsruimte in het Activiteitenbesluit een belangrijk aspect is bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening en de belangenafweging, kan in sommige gevallen een nog uitgebreidere afweging nodig zijn. Dat is het geval als niet alle relevante geluidsemissies die gerelateerd zijn aan het bedrijf, genormeerd zijn in de omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen, in een 8.40 AMvB of in nadere eisen op basis van die 8.40 AMvB. Voorbeelden hiervan zijn de geluidsbelasting van het laden en lossen (ABRvS 200601373/1), de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf (ABRvS 200606508/1) of het menselijk stemgeluid (ABRvS 200509319/1).

Menselijk stemgeluid
Het menselijk stemgeluid neemt een aparte positie in bij de beoordeling van geluidhinder in het kader van ruimtelijke planvorming. Bestemmingen waarbij menselijk stemgeluid in de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening een rol kan spelen, zijn onder andere bedrijven (horeca), sportvelden of speelplaatsen/hangplekken.

De aparte positie van menselijk stemgeluid bij de beoordeling van geluidhinder is ten eerste gelegen in de specifieke hinderlijkheid (de dynamiek van een stem, de lading van het gesprokene). Daarnaast blijkt beheersing van deze vorm van geluidhinder via (gedrags)voorschriften in de praktijk een lastige zaak. In de “Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening” (een belangrijk hulpmiddel bij de beoordeling van geluidhinder in het kader van een omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen) wordt dan ook het volgende gesteld: “Juist dit handhavingsprobleem is de reden dat de wetgever geen gedragsregels heeft vastgesteld. […] Al met al zal, daar waar stemgeluid regelmatig op kan treden en een beperking van deze geluidsbelasting gewenst is, in eerste instantie in de ruimtelijke ordeningssfeer een oplossing moeten worden gezocht.”

Zo moet bijvoorbeeld bij het bestemmen van een speelplaats een bepaalde mate van geluidhinder door menselijk stemgeluid worden afgewogen tegen de sociale veiligheid of de bereikbaarheid van de speelplaats door kinderen (ABRvS 200603295/1).

Wegverkeerslawaai
In de Wgh wordt wegverkeerslawaai vrijwel uitputtend geregeld. Alleen voor de geluidsbelasting van wegverkeer op woonerven en 30 km-wegen biedt de Wgh geen bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Nu is daar de verkeersintensiteit meestal zodanig laag dat de geluidsbelasting gering zal zijn. In voorkomende gevallen kan een 30 km-weg met een relatief hoge verkeersdrukte aan (vracht)wagens in combinatie met een niet-vlakke bestrating (klinkerbestrating) toch voor een hoge geluidsbelasting zorgen. Deze weg moet dan wel degelijk bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat beschouwd worden (zie ABRvS 200203751/1).

Lawaaisporten
Een ander onderwerp van aandacht is het geluid dat wordt voortgebracht door de zogenaamde lawaaisporten. Lawaaisporten zijn bijvoorbeeld schietsporten, zoals kleiduifschieten, motor- of autocross en modelvliegen.

In de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” zijn voor de verschillende soorten schietbanen richtafstanden opgenomen die variëren van 300 tot ongeveer 1500 meter. Aangezien deze schietbanen ook vergunningplichtige inrichtingen zijn, kan in de omgevingsvergunning voor vergunningplichtige inrichtingen informatie gevonden worden over de vergunde geluidsbelasting. Om de geluidsoverlast (die in het kader van de omgevingsvergunning wordt beoordeeld met de Circulaire schietlawaai (pdf, 317 kB)) zoveel mogelijk te beperken, zijn afschermingen in de vorm van schuttershuisjes en/of geluidsschermen rondom de schietplaats mogelijk. Een vuistregel voor de afstanden tot geluidsgevoelige gebouwen kan men ook vinden in het artikel “Kleiduifschieten: Olympisch geluid”. Genoemd worden afstanden van 1500 meter voor normale banen en 750 meter voor extensief gebruikte banen.

Permanente race- en crossterreinen die meer dan 8 uren per week open zijn, zijn vergunningplichtig en vallen als “grote lawaaimakers” onder de Wgh. Zij kunnen zich alleen op gezoneerde industrieterreinen vestigen.
Ook crossterreinen die minder dan 8 uur per week open zijn, zijn vergunningplichtig. Echter niet onder de Wgh en hoeven dus niet op een gezoneerd industrieterrein gevestigd te worden. Wel moet in verband met de geluidsbelasting rekening gehouden worden met afstanden tot nabijgelegen geluidsgevoelige objecten. De VNG publicatie geeft indicatieve afstanden tot rustige woonbebouwing. Bij terreinen die minder dan 8 uur per week in gebruik zijn, is dat 700 meter.

Bij modelvliegen is naast het veiligheidsaspect vooral geluidhinder van belang bij de afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De VNG publicatie geeft hier een afstand van 300 meter als grootste afstand, voornamelijk vanwege het geluid.

Stiltegebieden
Op grond van de Wet milieubeheer kunnen de provincies in het provinciale milieubeleidsplan gebieden aanwijzen waarin de kwaliteit van het milieu (bodem, grondwater, geluid) bijzondere bescherming behoeft. De provincies verankeren stiltegebieden vaak in het streekplan. Gemeenten moeten dit vertalen naar hun bestemmingsplannen. Bepaalde bestemmingen worden dan uitgesloten of op afstand gehouden, zoals luidruchtige of verkeersaantrekkende bedrijven, recreatiebedrijven, toeristische attracties, kartingbanen, schietbanen en hondenpensions/hondenkennels.

In de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan kunnen vervolgens luidruchtige c.q. verstorende activiteiten als verboden gebruik worden aangemerkt. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan: evenementen (zoals muziekfestivals) en allerlei lawaaisporten, zoals crossen met motoren en auto’s, autorally’s, modelvliegen en karten. In stiltegebieden mogen geen nieuwe geluidmakende functies worden toegelaten.

Sinds de Europese richtlijn Omgevingslawaai in de Wgh is geïmplementeerd, kunnen naast de provincies ook tot een agglomeratie behorende gemeenten (door middel van een gemeentelijke verordening) zogenoemde stille gebieden (dus geen stiltegebieden) vaststellen.

Natuurgebieden
Geluid kan ook in de vorm van verstoring van natuurgebieden een rol spelen in ruimtelijke planvorming. Meer informatie over verstoring en de invloed van ecologische aspecten op de planvorming staat in het Hoofdstuk Natuur.


Uw onderwerpen