Spoor

Sinds 1 april 2015 is het Basisnet in werking getreden. Hierin zijn risicoplafonds voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld. De minister van Infrastructuur en Waterstaat is verplicht om binnen 2 jaar na inwerkingtreding onderzoek te doen naar mogelijke overschrijdingen van de risicoplafonds. Dit staat in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs, art.15). De minister brengt telkens na het onderzoek verslag uit aan de Tweede Kamer over de resultaten.

Bij het spoorvervoer moeten vervoerders voor vertrek van een trein wagenlijsten naar ProRail versturen. ProRail maakt op basis van deze wagenlijsten de realisatiecijfers over de omvang van het spoorvervoer van gevaarlijke stoffen per kwartaal en over een heel kalenderjaar inzichtelijk. Deze kwartaal- en jaarcijfers worden, zodra ze beschikbaar zijn, op de website van InfoMil gepubliceerd.

Beschikbare realisatiecijfers per kwartaal:

Vervoer in ketelwagens en containers zijn apart vermeld. Doordat containers een kleinere inhoud hebben dan ketelwagens, mogen ze niet één-op-één worden opgeteld bij ketelwagens. Containers zijn daarom omgerekend naar ketelwagenequivalenten. Hierbij tellen containers met brandbare gassen (stofcategorie A) en brandbare vloeistoffen (stofcategorie C3) als een halve ketelwagen. Containers met giftige stoffen (stofcategorieën B en D) tellen als één derde ketelwagen.

Het is niet mogelijk om alleen met cijfers over de omvang van het vervoer te bepalen of de risicoplafonds wel of niet zijn overschreden (vermeld in Regeling Basisnet). De omvang van het vervoer en de spreiding over de verschillende stofcategorieën zijn niet de enige variabelen die het risico bepalen. Ook van toepassing zijn:

  • veiligheidsmaatregelen (hoe veiliger het vervoer, hoe meer vervoer mogelijk is binnen de risicoplafonds)
  • kenmerken van de infrastructuur (zoals de breedte van het spoor en aanwezige wissels)

Met al deze gegevens als input wordt met het rekenprogramma RBMII risicoberekeningen uitgevoerd. Dit is telkens het geval na afloop van elk kalenderjaar. De berekende risico's worden daarna vergeleken met de risicoplafonds. De jaarlijkse monitoringrapportage spoor bevat de uitkomsten van de toetsing van de berekende risico's aan de risicoplafonds. Inzichtelijk is of en waar er sprake is van overschrijding van de plafonds.

Omleidingsroutes

In het bijzonder voor de Brabantroute en de Bentheimroute is de afspraak gemaakt om elk kwartaal te toetsen of de risico's van het vervoer over deze routes binnen de risicoplafonds van het Basisnet blijven. Die afspraak is gemaakt in het kader van het project 3e spoor Betuweroute. Door de aanleg van dat 3e spoor tussen Zevenaar en Oberhausen gelden er beperkingen voor het gebruik van de Betuweroute. Treinen worden omgeleid over de grensovergangen Venlo en Bentheim.

Risicoplafonds zijn uitgedrukt in risico's per jaar. Per kwartaalrapportage worden de risico's berekend van het vervoer in de voorgaande vier kwartalen. Bij elke nieuwe kwartaalrapportage valt er een kwartaal af en komt er een nieuw kwartaal bij. Hierbij treft u de kwartaalrapportage aan voor zover deze beschikbaar is. Er zal geen afzonderlijke kwartaalrapportage voor de omleidingsroutes Brabantroute en Bentheimroute worden gemaakt over het vierde kwartaal van elk jaar.

Beschikbare toetsingsrapportage van de risico's per kwartaal:

Cijfers over de omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de jaren 2003 t/m 2014 zijn opgenomen in het Historisch Overzicht (pdf, 33 MB). Dit gaat om de periode voor de inwerkingtreding van Basisnet.

Monitoringsrapportages

Over het jaar 2015 is de eerste monitoringrapportage opgesteld, voluit genoemd: "Rapport toetsing realisatiecijfers vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor aan de risicoplafonds Basisnet". Jaarlijks worden de monitoringsrapportages Weg, Water en Spoor aangeboden aan de Tweede Kamer.

Resultaten

In 2017 zijn in vergelijking met 2016 op één na alle overschrijdingen van de PR-10-6-plafonds verdwenen. De overschrijdingen van de PR-10-7- en PR-10-8-plafonds zijn verdwenen of in omvang afgenomen.

Verslag over de uitvoering en werking van het convenant “Warme-BLEVE-vrij samenstellen en rijden van treinen”

Op 14 mei 2012 is het Convenant "Warme-BLEVE-vrij samenstellen en rijden van treinen" ondertekend door 25 partijen (verladers, terminal-operators en spoorgoederenvervoerders). Het doel van het convenant is een warme BLEVE (vertaald: kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) te voorkomen. Ketelwagens met brandbare vloeistoffen en brandbare gassen mogen dan niet direct aan elkaar worden gekoppeld in de samenstelling van de totale trein. Om deze doelstelling te halen, zijn de partijen in het convenant resultaats- en inspanningsverplichtingen aangegaan. Het Convenant is verlengd tot 1 januari 2022. Elk jaar wordt hierover verslag gedaan: