E03.97.0243 Wijchen

Onderwerp: Afstandsmeting, rijhal, minimumafstand paarden, stankhinder

Inleiding:
Aan de orde is de vraag hoe stankhinder van paarden moet worden beoordeeld.

Afdeling:
De Afdeling stelt vast dat in bijlage 2 van de Richtlijn 1996 voor inrichtingen waar paarden worden gehouden geen vaste afstanden worden aanbevolen ter beperking van stankhinder.

Verweerders hebben hier bij de vergunningverlening voor de wijze van afstandsmeting terecht paragraaf 2.2 onderdeel 2 van de Richtlijn 1996 tot uitgangspunt genomen. Op grond hiervan is de afstand tussen de buitenzijde van het stankgevoelige object en het dichtstbijgelegen emissiepunt van de veehouderij bepalend voor de beoordeling van stankhinder. Voor natuurlijk geventileerde stallen is dit emissiepunt de dichtstbijzijnde ventilatie- uitlaat.

Verweerders zijn hier uitgegaan van de stal en niet van de rijhal. Alleen in de stal worden paarden gehouden. Vanuit de stal kunnen de paarden niet vrij de hal betreden. Alleen voor het geven van lessen worden paarden uit de stal gehaald en overgebracht naar de rijhal. De mest in de rijhal wordt na afloop van de lessen onmiddellijk verwijderd. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de afstand dient te worden gemeten vanaf de stal en niet vanaf de rijhal.

Gebleken is dat het emissiepunt van de stal zich op 48 meter afstand van de dichtstbijgelegen woning van derden bevindt. Gelet op deze afstand en het feit dat in de inrchting slechts twaalf paarden verblijven zijn de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend om stankhinder van het houden van deze dieren te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

Datum uitspraak:
16 augustus 1999
Zaaknummer:
E03.97.0243
Vindplaats:
niet gepubliceerd
Instantie:
gemeente