200205023/1 Woensdrecht

Onderwerp: Functieverandering - splitsing, bescherming voormalige agrarische bedrijfswoning t.o.v. stankhinder van voormalige eigen bedrijf, categorie-indeling, stankhinder

Inleiding:
Aan de orde is het bezwaar van appellant met betrekking tot stankhinder. De woning van appellant is gelegen op ongeveer 50 meter van de inrichting. Deze woning is destijds opgericht als tweede bedrijfswoning bij de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend.

Afdeling:
Gebleken is dat appellant de zoon is van de voormalige drijver van deze inrichting. Verder is gebleken dat appellant in 1986 of 1987 in de woning is komen wonen, dat zijn vader destijds de inrichting dreef en dat hij werkzaam was in het bedrijf van zijn vader. Weliswaar is (de vader van) appellant thans geen drijver van de inrichting meer, maar de feitelijke bewoning van de tweede bedrijfswoning is sindsdien niet veranderd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat zich geen functieverandering in de zin van de Richtlijn 1996 heeft voorgedaan en dat in dit verband de woning nog steeds als bedrijfswoning dient te worden aangemerkt. Verweerder behoefde de woning van appellant dan ook niet te betrekken in zijn beoordeling van de stankhinder.

Datum uitspraak:
12 maart 2003
Zaaknummer:
200205023/1
Vindplaats:
Journaal Milieu Agrarische Sector 2003-4/90, JM 2003-5/62
Instantie:
gemeente



Richtlijn 1996

Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996