200000632/2 Ede

Onderwerp: Cumulatieve stankhinder en fazanten

Inleiding:
Een vergunning voor een fazantenhouderij is geweigerd omdat al sprake is van een cumulatief overbelaste situatie. Het aangevraagde dierbestand leidt volgens de gemeente tot een ongewenste toename van stank, ook al is er in de Richtlijn 1996 geen omrekeningsfactor naar mestvarkeneenheden voor fazanten opgenomen.

Afdeling:
Verweerders voeren een vaste bestuurspraktijk inhoudende dat in overbelaste stanksituaties geen oprichtingsvergunningen worden verleend voor niet in de Richtlijn 1996 genoemde dieren. De Afdeling acht dit niet in strijd met het recht.

Appellant heeft aangevoerd dat de verweerders ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat de inrichting slechts in werking is van mei tot en met september, in welke periode de fazanten de eerste 8 weken binnen zitten.

De Afdeling is van oordeel dat moet worden aangenomen dat -in tegenstelling tot wat appellant heeft aangevoerd-  de inrichting het gehele jaar in werking is. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerders ertoe noopten af te wijken van hun vaste bestuurspraktijk.

Onderwerp: Categorie-indeling, bank, stankgevoelig object dat met wonen gelijk te stellen is, stankhinder

Inleiding:
De situatie is cumulatief overbelast door de aanwezigheid van een plaatselijke Rabobank. De vraag is of deze bank een stankgevoelig object is in de zin van de Brochure 1985. Volgens appellanten is bij het weigeren van de vergunning vanwege cumulatie geen rekening gehouden met de omstandigheid dat deze bank slechts geopend is van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 17.00 uur.

Afdeling:
De Afdeling overweegt dat gezien de openingstijden van de bank en de aanwezigheid van personeel gedurende die uren verweerders er terecht van uit zijn gegaan dat zich hier een situatie voordoet van langdurig verblijf dat gelijk te stellen is met wonen. Zij hebben de bank terecht aangemerkt als een stankgevoelig object dat ingevolge de Richtlijn 1996 bescherming toekomt. Uit de berekeningen van verweerders blijkt dat de totale cumulatieve stankhinder op dit pand zonder de bijdrage van de inrichting reeds meer bedraagt dan de op grond van het rapport ten hoogste toegestane waarde van 1,5, zodat sprake is van een overbelaste situatie. De vergunning is terecht geweigerd.

Datum uitspraak:
25 juli 2001
Zaaknummer:
200000632/2
Vindplaats:
AgriSelect 2001-7/8/4.4, JM 2001-9/122, M en R Kort2001-10/185K
Instantie:
gemeente